ECLI:NL:RBROT:2023:4777

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 juni 2023
Publicatiedatum
9 juni 2023
Zaaknummer
FT EA 23/247
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot dwangakkoord wegens onvoldoende aannemelijkheid van uiterste voorstel schuldenaar

Verzoeker heeft een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers waarbij preferente schuldeisers 44,83% en concurrente schuldeisers 22,41% van hun vordering zouden ontvangen. Vijf schuldeisers gingen akkoord, maar een schuldeiser met een vordering van bijna 90% van de totale schuld weigerde in te stemmen. Deze schuldeiser stelde dat het aanbod te laag was en dat verzoeker niet te goeder trouw had gehandeld, onder meer vanwege het niet oversluiten van een krediet en het ontvangen van een ontslagvergoeding.

De rechtbank overwoog dat het belang van de schuldeiser bij volledige betaling zwaarwegend is en dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat het voorstel het uiterste is wat verzoeker kan bieden. De rechtbank hechtte daarbij gewicht aan het feit dat verzoeker een ontslagvergoeding van ruim €23.000 ontving, die niet is aangewend voor schuldaflossing en niet is gemeld aan schuldhulpverlening.

Gezien deze omstandigheden weegt het belang van de schuldeiser zwaarder dan dat van verzoeker en de overige schuldeisers. Daarom werd het verzoek tot dwangakkoord afgewezen. De rechtbank zal in een aparte beslissing oordelen over het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Uitkomst: Verzoek tot dwangakkoord wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid dat het voorstel het uiterste is wat verzoeker kan bieden.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 7 juni 2023
in de zaak van:
[verzoeker],
wonende te [adres]
[woonplaats],
verzoeker.

1..De procedure

Verzoeker heeft op 14 maart 2023, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om een schuldeiser, te weten:
- [schuldeiser] (hierna: [schuldeiser]);
die weigert mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
[schuldeiser] heeft voorafgaand aan de zitting een verweerschrift toegezonden.
Ter zitting van 7 juni 2023 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • mevrouw M. Naipal en mevrouw P. Schollart, beiden werkzaam bij de Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening).
De weigerende schuldeiser is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.

2..Het verzoek

Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift zes schuldeisers, waarvan één preferente en vijf concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 79.861,74 van verzoeker te vorderen.
Verzoeker heeft bij brief van 1 november 2022 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, inhoudende een betaling van 44,83% aan de preferente schuldeisers en 22,41% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoeker is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van zijn WIA-uitkering, waarbij een arbeidsongeschiktheid van 100% is vastgesteld. De aangeboden regeling voorziet in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden. Verzoeker heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden laten ontstaan en zijn vaste lasten worden inmiddels door zijn budgetbeheerder voldaan. Ten aanzien van het bedrag van € 23.416,76 dat verzoeker op (datum) op zijn rekening heeft ontvangen heeft verzoeker verklaard dat dit een ontslagvergoeding betreft. Verzoeker heeft een groot deel van dit bedrag (€ 23.000) overgemaakt naar een andere bankrekening die niet door zijn budgetbeheerder wordt beheerd en naar eigen zeggen aangewend voor zijn verhuizing en voor het bekostigen van (alternatieve) medicatie. Schuldhulpverlening heeft op zitting verklaard hiervan niet op de hoogte te zijn.
Vijf schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. [schuldeiser] stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 71.676,80 op verzoeker, welke 89,8% van de totale schuldenlast beloopt.

3..Het verweer

In de contacten met schuldhulpverlening heeft [schuldeiser] te kennen gegeven het aanbod te laag te vinden. Het aanbod staat niet in verhouding tot de totale schuldvordering. In haar verweerschrift heeft [schuldeiser] gesteld dat de schuld van verzoeker niet te goeder trouw is ontstaan. Verzoeker heeft verschillende kredieten bij [schuldeiser] afgesloten. In 2019 zijn er vier kredieten overgesloten maar een flexibel krediet is niet overgesloten. Verzoeker heeft vervolgens aanzienlijke bedragen gepind en heeft naar het oordeel van [schuldeiser] misbruik gemaakt van de situatie. Voort is verzoeker bij het aangaan van het krediet willens en wetens een langdurige aflosverplichting aangegaan. [schuldeiser] stelt dat verzoeker niet het maximaal haalbare aangeboden. De aangeboden regeling is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van de WIA-uitkering van verzoeker, terwijl niet uitgesloten is dat de inkomenspositie van verzoeker in de toekomst niet kan verbeteren. Ook is verzoeker in het bezit van een auto waarvan de waarde voor [schuldeiser] onbekend is. Tot slot heeft [schuldeiser] geconstateerd dat er op 24 april 2023 een bedrag van € 23.416,76 op de leefgeldrekening van verzoeker is gestort. [schuldeiser] stelt zich op het standpunt dat het er alle schijn van heeft dat dit bedrag buiten de boedel wordt gehouden.

4..De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van [schuldeiser] bij haar weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of [schuldeiser] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
Vooropgesteld wordt dat de vordering van [schuldeiser] een aanzienlijk aandeel vormt in de totale schuldenlast te weten 89,8%. Gelet daarop zal niet snel kunnen worden geoordeeld dat [schuldeiser] in redelijkheid niet kon weigeren om met de schuldregeling in te stemmen.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht. Verzoeker heeft immers op 24 april 2023 een ontslagvergoeding van € 23.416,76 op zijn bankrekening ontvangen. Verzoeker heeft dit niet gemeld aan schuldhulpverlening of budgetbeheerder en evenmin aangewend om af te lossen op de schuld aan [schuldeiser].
Voorts is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende gewaarborgd is dat verzoeker het maximale ten behoeve van zijn schuldeisers zal afdragen. Het is de rechtbank onvoldoende duidelijk wat er met de € 23.416,76 is gebeurd die op de bankrekening van verzoeker zijn gestort.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de belangen van [schuldeiser] als weigerende schuldeiser zwaarder wegen dan die van verzoeker of de overige schuldeisers. Het verzoek om [schuldeiser] te bevelen in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling wordt daarom afgewezen.
De rechtbank zal bij afzonderlijke beslissing op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling beslissen.

5..De beslissing

De rechtbank:
- wijst af het verzoek om een gedwongen schuldregeling te bevelen.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Tideman, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2023. [1]