Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1..De procedure
- verzoeker;
- mevrouw M. Naipal en mevrouw P. Schollart, beiden werkzaam bij de Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening).
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker heeft een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers waarbij preferente schuldeisers 44,83% en concurrente schuldeisers 22,41% van hun vordering zouden ontvangen. Vijf schuldeisers gingen akkoord, maar een schuldeiser met een vordering van bijna 90% van de totale schuld weigerde in te stemmen. Deze schuldeiser stelde dat het aanbod te laag was en dat verzoeker niet te goeder trouw had gehandeld, onder meer vanwege het niet oversluiten van een krediet en het ontvangen van een ontslagvergoeding.
De rechtbank overwoog dat het belang van de schuldeiser bij volledige betaling zwaarwegend is en dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat het voorstel het uiterste is wat verzoeker kan bieden. De rechtbank hechtte daarbij gewicht aan het feit dat verzoeker een ontslagvergoeding van ruim €23.000 ontving, die niet is aangewend voor schuldaflossing en niet is gemeld aan schuldhulpverlening.
Gezien deze omstandigheden weegt het belang van de schuldeiser zwaarder dan dat van verzoeker en de overige schuldeisers. Daarom werd het verzoek tot dwangakkoord afgewezen. De rechtbank zal in een aparte beslissing oordelen over het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Uitkomst: Verzoek tot dwangakkoord wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid dat het voorstel het uiterste is wat verzoeker kan bieden.