ECLI:NL:RBROT:2023:4813

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 mei 2023
Publicatiedatum
12 juni 2023
Zaaknummer
FT EA 23/411 en FT EA 23/412
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287 FwArt. 287b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen ontruiming en niet-ontvankelijkheid verzoek schuldsaneringsregeling

Verzoekster, een zelfstandige in de zorg, verzoekt de rechtbank om een voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet die de ontruiming van haar huurwoning opschort. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bedreigende situatie vanwege een vonnis tot ontruiming en een exploot dat uitvoering daarvan aankondigt.

De rechtbank weegt het belang van verzoekster, die haar werkzaamheden heeft hervat en voldoende inkomen heeft om huur te betalen, zwaarder dan het belang van verweerster die het vonnis wil uitvoeren. Daarom wordt de voorlopige voorziening voor zes maanden toegewezen onder de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan.

Daarnaast verklaart de rechtbank verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, vanwege het nog lopende minnelijk traject. Verzoekster kan later een nieuw verzoek indienen. De huurovereenkomst wordt verlengd voor de duur van de voorziening.

Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe die de ontruiming opschort voor zes maanden en verklaart het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer]
uitspraakdatum: 10 mei 2023
[verzoekster],
wonende te [adres]
[woonplaats],
verzoekster.

1..De procedure

Verzoekster heeft op 26 april 2023, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 26 april 2023 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 10 mei 2023.
Ter zitting van 10 mei 2023 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • mr. J. Verheij, werkzaam bij JAW Advocaten, raadsman van verzoekster.
Maus Beheer B.V., als rechtsopvolger onder algemene titel van [verweerster], gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster) is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter terechtzitting verschenen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2..Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 30 maart 2023 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij als zelfstandige werkzaam is in de zorg. Door een roerige periode in haar privéleven was verzoekster niet in staat om te werken, waardoor zij geen inkomen heeft gegenereerd. Verzoekster heeft verklaard dat het nu beter met haar gaat en zij haar werkzaamheden als zelfstandige heeft opgepakt. De inkomsten van verzoekster bedragen circa € 5.000,-- per maand. Verzoekster heeft aangetoond dat de huur over de maand mei 2023 is voldaan.

3..Het verweer

Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.

4..De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 30 maart 2023 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 19 april 2023 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 3 mei 2023 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 30 maart 2023 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster werkt als zelfstandige in de zorg. Zij heeft verklaard dat zij een maandelijks inkomen heeft van circa € 5.000,--. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen te voldoen. Verzoekster heeft daarnaast aangetoond dat de huur over de maand mei 2023 is voldaan. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5..De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 30 maart 2023 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan de [adres] te [woonplaats], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat SHV die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. F. Damsteegt, rechter, en in aanwezigheid van
C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 10 mei 2023.