Uitspraak
[bedrijf 1]uit Leidschendam (gemachtigde: [naam 1]) en
[bedrijf 2]uit Beverwijk (gemachtigde: mr. O.H. Minjon).
De aangevraagde activiteiten zijn volgens het college op één punt in strijd met het geldende bestemmingsplan “Westeinde e.o.” (het bestemmingsplan). Het gaat om de tijdelijke laad- en losplek aan de [straatnaam 1]. Die is in strijd met artikel 14 van Pro de planregels voor de bestemming “Verkeer2”. Het college heeft hiervoor een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan verleend met toepassing van artikel 4, aanhef en onder 8, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht.
Toetsingskader
In het tweede lid is bepaald dat in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede wordt aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts wordt geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.
Volgens eisers is de geluidbelasting ten onrechte beoordeeld aan de hand van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit) en niet aan de hand van het Bouwbesluit 2012. Het college is er volgens hen ten onrechte van uitgegaan dat dat gunstiger is voor de bewoners. Eisers stellen dat het Bouwbesluit 2012 een norm van 40 dB bevat voor het geluidniveau op de perceelsgrens. Dat is hier de grens van de terrassen en de installatiezone. Het Activiteitenbesluit legt de grens voor de normering op de achtergevel, die in dit geval 15 m verder weg ligt. Volgens eisers is in het akoestisch onderzoek ten onrechte niet de geluidbelasting op de grens van de terrassen en de installatiezone berekend en zijn daar ten onrechte geen rekenpunten voor opgenomen. Daarnaast hadden volgens eisers rekenpunten moeten worden opgenomen voor de elf hoger gelegen balkons aan de achterzijde. De berekende geluidbelasting is bovendien hoger dan 40 dB.
Daarnaast is onder “Voorschriften op basis van het Bouwbesluit 2012” het volgende voorschrift opgenomen: “Afdeling 3.2 Bescherming tegen geluid van installaties (verbouw).
Het karakteristieke installatie-geluidsniveau als gevolg van o.a. mechanische voorzieningen voor luchtverversing, warmteopwekking en warmteterugwinning mag in de niet-gemeenschappelijke verblijfsruimten van de bovengelegen woningen ten hoogste 40 dB zijn.”
Verder heeft het college naar aanleiding van het akoestisch onderzoek voorschriften gesteld over installaties. Die voorschriften moeten waarborgen dat aan het Activiteitenbesluit wordt voldaan.
Uit artikel 1.12, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 volgt dat deze bepaling ook van toepassing is op het geheel of gedeeltelijk vernieuwen, het veranderen of het vergroten van een bouwwerk.
In het akoestisch onderzoek is niet onderzocht of wordt voldaan aan de geluidnormen voor airco-installaties uit artikel 3.9, derde lid, van het Bouwbesluit 2012. Het onderzoek richt zich alleen op de geluidnormen uit artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit. Uit het akoestisch onderzoek kan niet zonder meer worden afgeleid dat aan artikel 3.9, derde lid, van het Bouwbesluit 2012 wordt voldaan. Voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau is de totale geluidbelasting van de supermarkt berekend. Die omvat meer bronnen dan alleen de airco-installaties in de installatiezone. Er is geen afzonderlijke berekening gemaakt voor het geluid van de airco-installaties. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de langtijdgemiddelde geluidbelasting op alle rekenpunten in de dagperiode meer dan 40 dB(A) bedraagt en in de avondperiode op één rekenpunt ook. Naar het oordeel van de rechtbank is het daarom in ieder geval niet uitgesloten dat de geluidbelasting van de airco-installaties ook meer dan 40 dB zal bedragen. Daarnaast is van belang dat de in het akoestisch onderzoek gebruikte rekenpunten niet overeenkomen met de punten die in verband met artikel 3.9, derde lid, van het Bouwbesluit 2012 bepalend zijn. De geluidnorm in die bepaling geldt namelijk ter plaatse van een te openen raam of deur van een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied van een aangrenzende op hetzelfde perceel gelegen woonfunctie, terwijl de geluidgrenswaarden uit artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit gelden op de gevel van gevoelige gebouwen zoals woningen.
Op grond van het akoestisch onderzoek is dan ook niet aannemelijk geworden dat wordt voldaan aan artikel 3.9, derde lid, van het Bouwbesluit 2012.
Daar komt nog bij dat het vergunningvoorschrift over afdeling 3.2 van het Bouwbesluit 2012 ten onrechte uitgaat van een geluidnorm van 40 dB in de niet-gemeenschappelijke verblijfsruimten van de bovengelegen woningen. Artikel 3.9, derde lid, van het Bouwbesluit 2012 bevat een grenswaarde van 40 dB ter plaatse van een te openen raam of deur van een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied van een aangrenzende op hetzelfde perceel gelegen woonfunctie.
De beroepsgrond slaagt.
Het perceel heeft de bestemming “Gemengd-2”. Op grond van artikel 5.1 van de planregels mogen de gronden met die bestemming worden gebruikt voor een aantal functies, waaronder detailhandel, met de daarbij behorende hoofdgebouwen, aan- en bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, groen, water en overige voorzieningen. In artikel 5.4 van de planregels is bepaald dat detailhandel uitsluitend is toegestaan op de beganegrondlaag.
De beroepsgrond slaagt niet.
Voldoet de laad- en losplek aan de eisen voor het voorkomen van geluidsoverlast?
De rechtbank stelt vast dat alleen de tijdelijke laad- en losplek deel uitmaakt van de verleende omgevingsvergunning en de definitieve laad- en losplek niet. In het primaire besluit is een voorschrift opgenomen over geluidhinder door de bevoorradingskarren bij laden en lossen. Daarin staat onder meer dat er bij de herinrichting van het kruispunt voor moet worden gezorgd dat de ondergrond voor de karren zo vlak mogelijk wordt, bijvoorbeeld door toepassing van een asfaltstrook. Voor zover aan dit deel van het voorschrift al betekenis kan toekomen nu de omgevingsvergunning geen betrekking heeft op de definitieve laad- en losplek, kan de rechtbank in deze procedure in ieder geval niet oordelen over de naleving van dat voorschrift. Overigens heeft het college ter zitting verklaard dat de gemeente zich aan het voorschrift zal houden.
De beroepsgrond slaagt niet.
De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit.
Om het gebrek te herstellen, moet het college onderzoek laten doen naar de geluidbelasting van de airco-installaties in de installatiezone. Naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek moet het college alsnog toereikend motiveren dat aannemelijk is dat aan artikel 3.9, derde lid, van het Bouwbesluit 2012 wordt voldaan. Als dat op grond van het onderzoek niet aannemelijk is, moet het college de omgevingsvergunning voor bouwen alsnog weigeren.
De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op vier weken na verzending van deze tussenuitspraak.
(…)
Besluit omgevingsrechtArtikel 2.7Als categorieën gevallen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet worden aangewezen de categorieën gevallen in artikel 4 van Pro bijlage II.
(…)
8. het gebruiken van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied;
(…)
Bouwbesluit 2012Artikel 1.12. Verbouw1. Op het geheel of gedeeltelijk vernieuwen, het veranderen of het vergroten van een bouwwerk zijn de voorschriften voor een te bouwen bouwwerk uit de hoofdstukken 2 tot en met 5 van toepassing, tenzij:
Planregels bestemmingsplan “Westeinde e.o.”Artikel 5 Gemengd Pro-25.1 Bestemmingsomschrijving
5.4 Specifieke gebruiksregels
e. detailhandel en dienstverlening zijn uitsluitend toegestaan op de beganegrondlaag.