ECLI:NL:RBROT:2023:4916
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WW-uitkering wegens onvoldoende aannemelijkheid beëindiging dienstverband op verzoek werkgever
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een WW-uitkering na het beëindigen van zijn dienstverband bij een werkgever en het starten van een eigen onderneming. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen en buiten behandeling gesteld wegens onvoldoende gegevens over de beëindiging van het dienstverband.
Eiser betwist dat hij het dienstverband zelf heeft opgezegd en stelt dat de werkgever het heeft beëindigd wegens bedrijfseconomische omstandigheden. Hij heeft echter geen schriftelijke stukken en kan de werkgever niet terugvinden in het handelsregister. Verweerder heeft eiser meerdere malen gevraagd om aanvullende informatie, waarop geen reactie kwam.
De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht heeft aangenomen dat eiser geen prijs stelde op een hoorzitting en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het dienstverband op verzoek van de werkgever is beëindigd. Ook is niet gebleken dat eiser voldoet aan de herkrijgingstermijn voor het verkrijgen van recht op WW-uitkering.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en blijft het bestreden besluit in stand. Er is geen veroordeling in proceskosten opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de WW-uitkering wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.