Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- verzoeker en zijn hiervoor genoemde advocaat;
- de rechter.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Rotterdam
In deze civiele procedure heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter die betrokken was bij een zaak over onderhoudsbijdrage en de regeling van zorg- en opvoedingstaken voor hun minderjarig kind. Verzoeker stelde dat de rechter zich partijdig had opgesteld door de wijze van vragen stellen, het ontbreken van gelegenheid om te reageren op het gezamenlijk behandelen van voorlopige voorziening en bodemzaak, en door het aannemen van beschuldigingen van de wederpartij zonder een open feitenonderzoek.
De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld en overwogen dat een rechter een ruime mate van vrijheid heeft in het verloop en de voortgang van de zitting, inclusief het stellen van kritische vragen. Uit de zittingsaantekeningen en toelichting bleek dat verzoeker voldoende gelegenheid had gekregen om te reageren en dat de rechter geen voorkeur voor de wederpartij toonde.
Ook het gezamenlijk behandelen van de voorlopige voorziening en bodemprocedure zonder voorafgaande bespreking met verzoeker werd niet als grond voor wraking gezien, aangezien dit een praktische handelswijze betreft. De wrakingskamer concludeerde dat er geen objectieve aanwijzingen zijn dat de rechter onpartijdig was of de schijn daarvan wekte.
Daarom is het wrakingsverzoek afgewezen. De beslissing is genomen door een meervoudige wrakingskamer van de rechtbank Rotterdam en op 28 februari 2023 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter is afgewezen wegens het ontbreken van objectieve aanwijzingen voor partijdigheid.