ECLI:NL:RBROT:2023:5099

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 juni 2023
Publicatiedatum
16 juni 2023
Zaaknummer
C/10/651570 / FA RK 23-553
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:392 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot onderhoudsbijdrage voor meerderjarige studerende dochter

De rechtbank Rotterdam behandelde een verzoek van een meerderjarige studerende dochter om een bijdrage in haar levensonderhoud en studiekosten van haar vader. De vader heeft geen verweer gevoerd in de procedure.

Volgens artikel 1:392 lid 2 BW Pro zijn ouders verplicht hun meerderjarige kinderen te onderhouden indien deze behoeftig zijn. De rechtbank stelt vast dat de dochter niet behoeftig is omdat zij in staat is door arbeid of anderszins in haar levensonderhoud te voorzien, ondanks dat zij een voltijdopleiding volgt.

De rechtbank oordeelt dat het enkele feit dat de moeder geen bijdrage kan leveren en dat de vader in staat wordt geacht de bijdrage te betalen, niet leidt tot een conclusie van behoeftigheid. Daarom wordt het verzoek afgewezen.

De proceskosten worden ieder voor eigen rekening gelaten. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag binnen drie maanden na dagtekening, uitsluitend door een advocaat in te stellen.

Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van een onderhoudsbijdrage voor de meerderjarige studerende dochter wordt afgewezen wegens het ontbreken van behoeftigheid.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/651570 / FA RK 23-553
Beschikking van 26 juni 2023 over onderhoudsbijdrage
in de zaak van:
[naam 1], hierna: [naam 1],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. M. Jonkman te Capelle aan den IJssel,
t e g e n
[naam 2], hierna: de man,
wonende te [woonplaats],
niet verschenen.

1..De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met bijlagen van [naam 1], ingekomen op 24 januari 2023;
  • het bericht met bijlagen van [naam 1] van 4 mei 2023.
1.2.
Binnen de door de rechtbank gestelde termijn is geen verweerschrift ingekomen.

2..De vaststaande feiten

2.1.
De man is ouder van [naam 1].

3..De beoordeling

3.1.
De onderhoudsbijdrage
3.1.1.
[naam 1] verzoekt vaststelling van een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie van € 686,44 per maand.
3.1.2.
De man voert geen verweer.
3.1.3.
Uit het bepaalde in artikel 1:392 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) volgt dat ouders een onderhoudsplicht hebben ten aanzien van hun meerderjarige kinderen die de leeftijd van een en twintig jaren hebben bereikt in het geval dat deze behoeftig zijn.
3.1.4.
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 1:392 BW Pro blijkt niet dat de strekking van die bepaling is ouders te verplichten hun meerderjarige kinderen, die overigens in staat zijn door arbeid in hun eigen levensonderhoud te voorzien, door het verstrekken van een uitkering in staat te stellen tot het volgen of voltooien van een opleiding (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 9 september 1983: HR 09-09-1983, nr. 6304). Een uitkering tot levensonderhoud ten laste van de man kan dus alleen worden vastgesteld als [naam 1] behoeftig is.
3.1.5.
Van behoeftigheid in de zin van artikel 1:392 BW Pro is slechts sprake wanneer iemand onvoldoende middelen heeft om te voorzien in het eigen levensonderhoud en deze ook in redelijkheid niet kan verwerven, bijzondere omstandigheden daargelaten.
3.1.6.
Gesteld noch gebleken is dat [naam 1] niet in staat is door arbeid (of anderszins) in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Het enkele feit dat zij een voltijds opleiding Voeding en Diëtetiek aan de Hogeschool in Den Haag volgt maakt niet dat zij behoeftig is. Dat haar moeder geen ruimte heeft voor het leveren van een onderhoudsbijdrage maakt dit niet anders. Het feit dat zij de man in staat acht de door haar verzochte onderhoudsbijdrage te voldoen, leidt evenmin tot de conclusie dat zij behoeftig is.
3.1.7.
Naar het oordeel van de rechtbank is er in dit geval onvoldoende gesteld om de conclusie te kunnen trekken dat er bij [naam 1] sprake is van behoeftigheid in de zin van artikel 1:392 lid 2 BW Pro. De rechtbank zal haar verzoek daarom afwijzen.
3.2.
Proceskosten
3.2.1.
Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4..De beslissing

De rechtbank:
4.1.
wijst af het verzoek van [naam 1] tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie;
4.2.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. van Driel, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier A.D. Lavieren op 26 juni 2023.
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.