De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die sinds 2,5 week vermist is en zich onttrekt aan gezag en hulpverlening. De minderjarige vertoont problematisch gedrag, waaronder contact met negatieve vrienden, politiecontact, softdruggebruik en weigering tot medewerking aan behandeling.
De gecertificeerde instelling (GI) erkende de ernst van de situatie maar betwijfelde de effectiviteit van de maatregel gezien de korte resterende periode tot meerderjarigheid en de huidige vermissing. De ouders betreuren de situatie en voelen zich in de steek gelaten, benadrukkend dat de minderjarige over drie maanden meerderjarig wordt en hulp dan vrijwillig zal zijn.
De kinderrechter concludeerde dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing geen meerwaarde bieden zolang de minderjarige vermist is en zich niet aan het gezag en hulpverlening houdt. Gezien het strafrechtelijk kader en de korte resterende termijn tot meerderjarigheid werd het verzoek afgewezen. De kinderrechter sprak de hoop uit dat de minderjarige snel wordt gevonden en verwees naar mogelijke hulpverlening binnen het strafrechtelijk kader.