De rechtbank Rotterdam behandelde het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot verlenging van de ondertoezichtstelling (ots) van een minderjarige tot 27 januari 2024. De ondertoezichtstelling was aanvankelijk uitgesproken tot 27 mei 2023. De Raad en de gecertificeerde instelling (GI) stelden dat verlenging noodzakelijk is vanwege de problematiek rondom het contactherstel tussen de vader en de minderjarige en het loyaliteitsconflict bij de minderjarige. De GI gaf aan dat vrijwillige hulpverlening onvoldoende effect had en dat het gedwongen kader meer mogelijkheden biedt.
De moeder verzocht namens zichzelf en de minderjarige het verzoek af te wijzen, stellende dat het momenteel redelijk gaat met de minderjarige en dat eerst individuele hulp nodig is voordat contact met de vader kan worden hersteld. Zij uitte tevens kritiek op de communicatie met de GI. De vader bevestigde de problematiek rondom het contact en gaf aan open te staan voor hulpverlening.
De kinderrechter overwoog dat er geen vaste jeugdbeschermer beschikbaar is en dat er geen zicht is op wanneer die beschikbaar zal zijn. De veiligheidsrisico's voor de minderjarige zijn laag ingeschat, waardoor de systematiek van de GI verlenging niet rechtvaardigt. De inbreuk op de persoonlijke levenssfeer door de ots moet gerechtvaardigd zijn, hetgeen hier niet het geval is. Hoewel de zorgen over de minderjarige blijven bestaan, acht de kinderrechter een andere aanpak via vrijwillige hulpverlening en ondersteuning door Enver en het wijkteam noodzakelijk.
De kinderrechter wees het verzoek tot verlenging af en riep de ouders op om samen met hun advocaat afspraken te maken over de hulpverlening. De beslissing werd mondeling gegeven op 19 mei 2023 en schriftelijk vastgelegd op 26 mei 2023.