De rechtbank Rotterdam behandelde op 1 juni 2023 een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over twee minderjarige kinderen. De kinderen zijn sinds 2020 onder toezicht gesteld en met machtiging uit huis geplaatst bij de vader. De gecertificeerde instelling en de Raad hadden zorgen over de opvoedcapaciteiten van de moeder, mede door haar verleden met medicatie- en alcoholverslaving en de complexe gezinssituatie met huiselijk geweld.
Tijdens de zitting werden verschillende standpunten toegelicht. De moeder heeft een moeilijke periode doorgemaakt maar toont positieve ontwikkelingen, waaronder langdurige onthouding van middelengebruik en actieve deelname aan hulpverlening. De vader en de moeder zijn het eens over een toekomstige thuisplaatsing van een van de kinderen bij de moeder. De Raad en de GI benadrukten echter het risico dat de moeder nog niet voldoende stabiel is om het gezag te behouden.
De rechtbank overwoog dat hoewel de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd, de moeder recent positieve stappen heeft gezet en er nog geen bewijs is dat zij binnen een aanvaardbare termijn niet in staat zal zijn de verzorging en opvoeding te dragen. Gezien de wens van de ouders en het kind om het gezag te behouden, en het lopende onderzoek naar de haalbaarheid van thuisplaatsing, werd het verzoek tot beëindiging van het gezag afgewezen.