ECLI:NL:RBROT:2023:5269

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 juni 2023
Publicatiedatum
21 juni 2023
Zaaknummer
10300165 / CV EXPL 23-2687
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:37 lid 3 BWArt. 6:96 lid 6 BWArt. 6:119 BWArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering eigen bijdrage reparatie kunstgebit deels toegewezen

Op 4 juni 2021 heeft een zorgverlener het kunstgebit van gedaagde gerepareerd. Voor deze reparatie was een eigen bijdrage van €15,04 verschuldigd, die niet door gedaagde is betaald. De zorgverlener droeg haar vordering over aan CE Medical Factoring B.V. (CEMF), die betaling van de eigen bijdrage met rente vorderde.

Gedaagde erkende de eigen bijdrage te moeten betalen, maar betwistte de rente en bijkomende kosten omdat hij geen eerdere brieven had ontvangen. De rechtbank oordeelde dat de nota op het juiste adres was bezorgd en dat het niet ontvangen van post tijdens afwezigheid voor rekening en risico van gedaagde komt. Daarom moet gedaagde de eigen bijdrage met rente betalen.

De vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten werd afgewezen omdat CEMF niet kon aantonen dat zij een aanmaning heeft gestuurd die aan de wettelijke vereisten voldoet en die door gedaagde is ontvangen. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de eigen bijdrage met rente, maar de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 10300165 / CV EXPL 23-2687
datum uitspraak: 2 juni 2023
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
CE Medical Factoring B.V.,
gevestigd in Barendrecht,
eiseres,
gemachtigde: Landelijke Associatie van Gerechtsdeurwaarders B.V. te Groningen,
tegen
[gedaagde01],
wonende in [woonplaats01] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘CEMF’ en ‘ [gedaagde01] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 11 januari 2023, met bijlagen;
  • het antwoord;
  • de repliek;
  • de dupliek.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
Op 4 juni 2021 heeft Mondzorg Erasmus (‘de zorgverlener’) het kunstgebit van [gedaagde01] gerepareerd. Voor die reparatie is [gedaagde01] een eigen bijdrage van € 15,04 verschuldigd, maar die heeft hij niet betaald. De zorgverlener heeft haar vordering op [gedaagde01] aan CEMF overgedragen. CEMF eist in deze zaak dat [gedaagde01] wordt veroordeeld om de eigen bijdrage (met rente en kosten) aan haar te betalen. [gedaagde01] erkent dat hij de eigen bijdrage moet betalen, maar hij vindt dat hij de rente en kosten niet hoeft te betalen omdat hij nooit eerder brieven over de eigen bijdrage heeft ontvangen. De kantonrechter veroordeelt [gedaagde01] de eigen bijdrage met rente te betalen, maar wijst de bijkomende kosten af. Hierna wordt uitgelegd waarom.
[gedaagde01] moet de nota met rente betalen.
2.2.
CEMF heeft op 17 augustus 2021 een nota voor de eigen bijdrage naar het adres [adres01] in Rotterdam gestuurd. Dit adres was het bij de zorgverlener bekende adres van [gedaagde01] en [gedaagde01] stond op dat moment ook ingeschreven op dat adres. [gedaagde01] heeft niet weersproken dat de nota ook daadwerkelijk op het adres [adres01] in Rotterdam is bezorgd, maar hij stelt dat hij destijds op Curaçao was en dat zijn begeleider zijn post doorstuurde. Als het klopt dat [gedaagde01] de nota niet heeft ontvangen, ligt dat niet aan CEMF. Het is namelijk de verantwoordelijkheid van [gedaagde01] om er tijdens zijn afwezigheid voor te zorgen dat zijn post wordt bekeken of naar hem wordt doorgestuurd. Als daar iets mis gaat, komt dat voor zijn rekening en risico (artikel 3:37 lid 3 BW Pro). Dit betekent dat [gedaagde01] de eigen bijdrage van € 15,04 moet betalen. Daarnaast moet [gedaagde01] over dit bedrag de wettelijke rente aan CEMF betalen. Berekend tot 3 januari 2023 gaat het om € 0,42.
[gedaagde01] hoeft geen vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten te betalen.
2.3.
De vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van € 40,- wordt afgewezen. CEMF heeft pas recht op een vergoeding als zij [gedaagde01] een brief heeft gestuurd waarin hij de kans heeft gekregen om binnen vijftien dagen na ontvangst van de brief alsnog zonder extra kosten te betalen (artikel 6:96 lid 6 BW Pro) en vast komt te staan dat [gedaagde01] deze brief heeft ontvangen (artikel 3:37 lid 3 BW Pro).. [gedaagde01] betwist dat hij zo’n brief heeft ontvangen. In reactie hierop heeft CEMF alleen gesteld dat zij het ongeloofwaardig vindt dat [gedaagde01] de aanmaning van 14 november 2022 niet heeft ontvangen, maar daarmee staat nog niet vast dát [gedaagde01] die aanmaning daadwerkelijk heeft ontvangen. Het had gelet op de betwisting van [gedaagde01] op de weg van CEMF gelegen om - bijvoorbeeld - een afschrift van een aangetekend verstuurde brief in het geding te brengen, maar dat heeft zij niet gedaan. De kantonrechter kan daarom niet vaststellen dat [gedaagde01] een brief heeft ontvangen die aan de voorwaarden voldoet om een vergoeding voor de buitengerechtelijke incassokosten te krijgen.
De proceskosten worden gecompenseerd.
2.4.
Omdat beide partijen op punten ongelijk hebben gekregen, worden de proceskosten gecompenseerd. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt.
Uitvoerbaarheid bij voorraad.
2.5.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv Pro).

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde01] om aan CEMF te betalen € 15,46 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over een bedrag van € 15,04 vanaf 3 januari 2023 tot de dag van volledige betaling;
3.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.3.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken.
38671