Verzoeker diende een verzoek in op grond van artikel 287a Faillissementswet om schuldeisers te dwingen in te stemmen met een aangeboden schuldregeling. Twaalf schuldeisers waren betrokken, waarvan tien instemden met het akkoord. Eén schuldeiser ([schuldeiser 1]) weigerde vanwege een verrekening met een verhuiskostenvergoeding, en een andere ([schuldeiser 3]) stemde niet in zonder nadere toelichting.
De rechtbank oordeelde dat de verrekening door [schuldeiser 1] rechtsgeldig was en dat verzoeker daardoor geen belang meer had bij het dwangakkoord jegens deze schuldeiser. Daarom werd het verzoek tegen [schuldeiser 1] afgewezen wegens gebrek aan belang. Ten aanzien van [schuldeiser 3] vond de rechtbank dat diens belang bij weigering niet opwoog tegen de belangen van verzoeker en de andere schuldeisers, mede gelet op de geringe omvang van de vordering en de medische situatie van verzoeker.
De rechtbank kende het dwangakkoord toe tegen [schuldeiser 3], veroordeelde deze in de proceskosten en stelde vast dat het vonnis in de plaats treedt van vrijwillige instemming. Het subsidiaire verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling werd afgewezen omdat het akkoord een gunstiger resultaat oplevert voor schuldeisers.