De zaak betreft een geschil over de afgifte van stukken en het afleggen van rekening en verantwoording door [gedaagde01], gevolmachtigde van zes erfgenamen, aan [eiser01] q.q., vereffenaar van de nalatenschap van erflaatster. Na het overlijden van erflaatster in 1998 en het benoemen van [eiser01] tot vereffenaar in 2018, ontstond onduidelijkheid over de omvang van de nalatenschap en de beschikbaarheid van relevante documenten.
De rechtbank oordeelt dat [eiser01] q.q. een rechtmatig belang heeft bij het verkrijgen van alle relevante stukken, waaronder 60 ordners en processtukken van procedures vanaf 1989, evenals bankafschriften van vijf jaar voor het overlijden van erflaatster. Ondanks het verweer van [gedaagde01] dat de stukken eigendom zijn van een stichting, acht de rechtbank aannemelijk dat hij als beleidsbepaler over de stukken kan beschikken.
De rechtbank wijst de vordering tot afgifte van stukken toe met een dwangsom, maar wijst de vordering tot lijfsdwang af. Tevens veroordeelt zij [gedaagde01] tot het afleggen van rekening en verantwoording binnen tien weken over het gevoerde beheer en ontvangen inkomsten. De verdere beslissing over schadevergoeding en proceskosten wordt aangehouden.