De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West tot verlenging van de ondertoezichtstelling (OTS) voor een kind geboren in 2008. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag en het kind woont bij de moeder en stiefvader. De OTS was eerder verlengd tot 30 april 2023.
De GI verzocht om verlenging van zes maanden om het traject bij het Centrum voor Gezinsbehandeling (CGB) voort te kunnen zetten en het contact tussen het kind en zijn vader te stimuleren. De ouders stonden achter de OTS, waarbij de moeder hoopte dat de gesprekken bij het CGB zouden doorgaan en de vader stelde dat er geen vooruitgang was geboekt en sprak van ouderverstoting.
De kinderrechter constateerde dat de OTS inmiddels twee jaar duurt zonder inhoudelijke vooruitgang, met name het contactherstel tussen het kind en de vader is niet gerealiseerd en lijkt ook in de nabije toekomst onwaarschijnlijk. Hoewel het kind een kleine opening bood, is deze niet opgepakt, wat tot verdere afstand leidde.
De kinderrechter oordeelde dat de OTS niet langer bijdraagt aan het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging. De ouders zijn gemotiveerd om het CGB-traject voort te zetten zonder de GI. Daarom werd het verzoek tot verlenging afgewezen. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden via de griffie van het gerechtshof Den Haag.