De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank Rotterdam om ondertoezichtstelling van een kind, geboren in 2009, vanwege zorgen over haar welzijn en een gespannen thuissituatie met de moeder. Het kind had eerder huiselijk geweld meegemaakt en was elf maanden uit huis geplaatst geweest zonder verbetering. De moeder en het kind hebben een moeizame relatie en de moeder heeft wantrouwen tegenover hulpverlening.
Tijdens de zitting, waarbij een Poolse tolk aanwezig was, gaf de moeder aan dat de communicatie met het kind nu beter verloopt en zij meer tijd wil om de band te versterken. Zij is bang dat betrokkenheid van een jeugdbeschermer de relatie zal schaden en staat achter psychologische hulp voor het kind.
De kinderrechter constateerde dat er nog steeds zorgen zijn, maar dat er geen acuut gevaar lijkt te zijn. De prille vooruitgang in het contact tussen moeder en kind verdient een kans. Daarom wordt het verzoek tot ondertoezichtstelling aangehouden voor zes maanden, waarbij de Raad wordt verzocht te rapporteren over de situatie. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en hoger beroep is mogelijk.