ECLI:NL:RBROT:2023:5597

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 juni 2023
Publicatiedatum
29 juni 2023
Zaaknummer
657940
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige wegens bedreigde ontwikkeling

De rechtbank Rotterdam heeft op 1 juni 2023 een beschikking gegeven over de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige. De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond hebben het verzoek ingediend vanwege ernstige bedreigingen van de ontwikkeling van de minderjarige.

De moeder oefent het ouderlijk gezag uit, maar heeft een belast verleden, financiële problemen en een verslavingsproblematiek, waaronder een recente terugval in cocaïnegebruik. Zij is niet transparant geweest richting haar behandelaren, waardoor zij niet langer bij de verslavingsinstelling Brijder kan verblijven. De woning van de moeder was zwaar vervuild, en zij is momenteel niet in staat om de volledige verzorging van de minderjarige op zich te nemen.

De kinderrechter heeft geoordeeld dat aan de wettelijke criteria van artikel 1:255 BW Pro is voldaan en heeft daarom de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar vastgesteld. Tevens is een machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin verleend voor zes maanden, omdat dit noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na betekening.

Uitkomst: De minderjarige wordt onder toezicht gesteld voor één jaar en geplaatst in een pleeggezin voor zes maanden.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/657940 / JE RK 23-1146
Datum uitspraak: 1 juni 2023
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming, Rotterdam-Dordrecht,

hierna te noemen: de Raad, gevestigd te Rotterdam,
betreffende

[minderjarige01] ,

geboren op [geboortedatum01] 2023 te [geboorteplaats01] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige01] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[moeder01] ,

hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats01] ,

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

hierna te noemen: de GI, gevestigd te Rotterdam.

Het procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoek met bijlagen van de Raad van 19 mei 2023, ingekomen bij de griffie op diezelfde datum;
- het wijzigingsverzoek van de Raad van 31 mei 2023, ingekomen bij de griffie op diezelfde datum.
Op 1 juni 2023 heeft de kinderrechter de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld.
Verschenen zijn:
- een vertegenwoordigster van de Raad, mw. [naam01] ;
- een vertegenwoordiger van de GI, dhr. [naam02] .
De moeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige01] wordt uitgeoefend door de moeder.
[voornaam minderjarige01] verblijft vanaf 1 juni 2023 bij een pleeggezin.
Bij beschikking van 16 maart 2023 is [voornaam minderjarige01] voorlopig onder toezicht gesteld tot 16 juni 2023.

Het verzoek

De Raad verzoekt [voornaam minderjarige01] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Na wijziging van het verzoek, verzoekt de Raad tevens een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige01] in een pleeggezin voor de duur van zes maanden.
De Raad handhaaft het verzoek tijdens de mondelinge behandeling en licht het als volgt toe. [voornaam minderjarige01] wordt ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. De moeder kent een belast verleden en heeft basale zaken, zoals haar financiën, niet op orde. Ook ontkent de moeder dat zij een gokverslaving heeft. Daarnaast heeft de moeder een terugval gehad in haar cocaïnegebruik. Zij is hierover niet transparant geweest richting haar behandelaren, waardoor zij niet langer bij Brijder kan verblijven. De moeder is bereid, maar op dit moment niet in staat om de volledige verzorging van [voornaam minderjarige01] op zich te nemen. Omdat de moeder langere periode stabiel moet zijn in haar verslavingsproblematiek, is een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige01] voor de duur van zes maanden noodzakelijk.

Het standpunt van de GI

De GI stemt tijdens de mondelinge behandeling in met het verzoek van de Raad. Op 23 mei 2023 heeft er een zitting plaatsgevonden betreffende de ondertoezichtstelling van de andere kinderen van de moeder. De moeder heeft daarna een terugval gehad in haar cocaïnegebruik en is onder invloed met [voornaam minderjarige01] teruggegaan naar Brijder. De moeder is hierover niet transparant geweest richting haar behandelaren. De urinecontrole die is afgenomen bleek positief. Tijdens een gesprek tussen de moeder en Brijder bagatelliseerde de moeder het gevaar van haar terugval voor haarzelf, [voornaam minderjarige01] en de andere moeders en kinderen op de groep. Hierdoor kan de moeder niet langer bij Brijder verblijven. Ze gaat nu tijdelijk bij haar moeder wonen. Op 1 juni 2023 heeft de moeder meegewerkt aan de plaatsing van [voornaam minderjarige01] bij een ervaren pleeggezin. De moeder is bij de overdracht van [voornaam minderjarige01] aanwezig geweest. Het is de komende periode van belang dat de moeder aan haar eigen problematiek werkt. Het huis van de moeder was zwaar vervuild, maar wordt nu schoongemaakt en de hulpverlening vanuit Antes wordt (opnieuw) ingezet.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat [voornaam minderjarige01] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Er zijn zorgen over de opvoedsituatie van de zeer jonge [voornaam minderjarige01] . De moeder kent een belast verleden en heeft problemen op diverse leefgebieden. Haar woning was zwaar vervuild, de financiën zijn niet op orde en er is sprake van verslavingsproblematiek. Daarnaast heeft de moeder tijdens haar ongecontroleerde zwangerschap van [voornaam minderjarige01] cocaïne gebruikt. De moeder heeft de afgelopen periode een intensieve behandeling voor haar verslavingsproblematiek gevolgd bij Brijder. Echter heeft de moeder een terugval gehad in haar cocaïnegebruik. Doordat zij hierover niet open is geweest richting haar behandelaren, kan de moeder niet langer bij Brijder verblijven. Omdat hierdoor ook de hulpverlening opnieuw moet worden gestart en de moeder tijdelijk bij haar moeder gaat wonen, is zij op dit moment niet in staat om de zorg voor [voornaam minderjarige01] op zich te nemen.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). De kinderrechter zal daarom [voornaam minderjarige01] onder toezicht stellen voor de duur van een jaar. Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige01] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding, zoals genoemd in artikel 1:265b BW, nu de moeder niet langer bij Brijder kan verblijven. De kinderrechter zal daarom een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige01] in een pleeggezin verlenen voor de duur van zes maanden.

De beslissing

De kinderrechter:
stelt [voornaam minderjarige01] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond met ingang van 1 juni 2023 tot 1 juni 2024;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige01] in een pleeggezin met ingang van 1 juni 2023 tot 1 december 2023;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2023 door mr. S. Jordaan, kinderrechter, in aanwezigheid van L.M. Buurman als griffier, en op schrift gesteld op 13 juni 2023.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.