ECLI:NL:RBROT:2023:5630

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 juni 2023
Publicatiedatum
29 juni 2023
Zaaknummer
AWB - 23/1906
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.7 Wet hersteloperatie toeslagenArt. 8:54 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank stelt termijn en dwangsom vast voor beslissing herbeoordeling kinderopvangtoeslag

Eiser heeft op 20 mei 2021 een verzoek ingediend tot herbeoordeling van zijn recht op kinderopvangtoeslag bij verweerder, de Belastingdienst/Toeslagen. Ondanks een verlengingstermijn en een dwangsombeslissing bleef verweerder in gebreke om tijdig een besluit te nemen. Eiser stelde verweerder in gebreke en startte een procedure bij de rechtbank Rotterdam.

De rechtbank constateert dat de beslistermijn is overschreden en dat verweerder zich hiervan bewust was bij het indienen van het verweerschrift. De rechtbank wijkt af van de standaardtermijn van twee weken vanwege de bijzondere omstandigheden, waaronder het grote aantal herbeoordelingsverzoeken dat verweerder ontving. Toch moet verweerder binnen twee weken na verzending van de uitspraak een vooraankondiging sturen en binnen twee weken na ontvangst van een zienswijze of na zes weken een definitief besluit nemen.

De rechtbank legt een dwangsom van € 100 per dag op, met een maximum van € 15.000, om verweerder te stimuleren tijdig te beslissen. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiser. Verzoeken tot verlenging van de termijn worden afgewezen vanwege het belang van rechtszekerheid en de wettelijke kaders.

De uitspraak is openbaar gedaan op 30 juni 2023 door rechter A.C. Rop, en griffier A. Ouni. Tegen deze uitspraak staat verzet open binnen zes weken na verzending.

Uitkomst: Verweerder moet binnen gestelde termijnen beslissen en betaalt een dwangsom van €100 per dag bij overschrijding, met een maximum van €15.000.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/1906
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2023 als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen

[Naam], uit [Plaats], eiser,

gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak,
en

Belastingdienst/Toeslagen, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft op 20 mei 2021 bij verweerder een verzoek gedaan om herbeoordeling van zijn recht op kinderopvangtoeslag.
Bij brief van 21 februari 2023 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld.
Op 17 maart 2023 heeft eiser beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek, waarbij eiser de rechtbank heeft verzocht de hoogte van de door verweerder verbeurde dwangsom vast te stellen en verweerder op te dragen binnen twee weken na de uitspraak alsnog een beslissing te nemen.
Verweerder heeft op 4 april 2023 een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat zich in deze zaak een van de gevallen voordoet zoals genoemd in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en een zitting daarom niet nodig is.
2. Eiser heeft kinderopvangtoeslag ontvangen en hij heeft zich gemeld voor een herbeoordeling van zijn recht daarop. Verweerder heeft dit verzoek in behandeling genomen. Bij brief van 30 oktober 2021 heeft verweerder de termijn van herbeoordeling éénzijdig verlengd met zes maanden. Verweerder moest dan uiterlijk op 20 mei 2022 een beslissing nemen.
Bij besluit van 14 maart 2022 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat hij op basis van een zogenoemde lichte toets niet in aanmerking komt voor een (minimaal) compensatiebedrag van € 30.000,-, maar dat hierover pas later een definitief besluit wordt genomen.
3. Niet in geschil is dat de beslistermijn voor het verzoek tot herbeoordeling is overschreden. Eiser heeft verweerder in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door verweerder zijn meer dan twee weken voorbij gegaan. Niet gebleken is dat verweerder alsnog heeft beslist op het verzoek.
4. Uit het dossier blijkt dat verweerder op 9 augustus 2022 een dwangsombeslissing heeft genomen, waarin aan eiser een dwangsom van € 1.442,- is toegekend, zoals ook door eiser is verzocht. Gelet hierop hoeft de rechtbank de hoogte van de bestuurlijke dwangsom niet meer zelf vast te stellen.
5. Omdat verweerder nog geen besluit op het verzoek heeft genomen bepaalt de rechtbank verder dat verweerder dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het bestuursorgaan dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. Verweerder verzoekt de vordering tot het stellen van een termijn en het opleggen van een dwangsom af te wijzen, althans een zeer ruime termijn te stellen, omdat toewijzing de door haar juist geachte volgorde van behandeling (volgorde van binnenkomst) doorkruist ten gunste van de betrokkenen die zich met een verzoek om het stellen van een termijn tot de rechter wenden. Verweerder heeft voorts (subsidiair) op grond van het derde lid van artikel 8:55d, van de Awb, gemotiveerd verzocht om een langere termijn, namelijk dertien weken.
6.1.
De rechtbank ziet mede gelet op haar uitspraak van 26 april 2023 (ECLI:NL:RBROT:2023:3474) geen mogelijkheid om af te zien van het stellen van een termijn en het opleggen van een dwangsom aan verweerder voor het geval die termijn niet wordt gehaald, vanwege de algemene orde in de behandeling van verzoeken om herbeoordeling. De rechtbank heeft – ter wille van de haalbaarheid - in een reeks uitspraken de termijn verlengd tot twaalf weken vanaf de datum van ontvangst van het verweerschrift van verweerder. De wet biedt echter geen ruimte voor afwijzing van verzoeken om termijnstelling (of bepaling van die termijn met een einddatum in de verre toekomst) op grond van algemene doelmatigheids- en rechtvaardigheidsoverwegingen, zoals door verweerder aangevoerd.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat een termijn recht moet doen aan de reële mogelijkheden om op het verzoek te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen.
In dit geval is sprake van bijzondere omstandigheden om van de standaardtermijn van twee weken af te wijken. In algemene zin geldt dat verweerder een veel groter aantal aanvragen voor herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag heeft ontvangen dan was voorzien. Dat geldt ook voor het aantal bezwaren. Deze aanvragen en bezwaarschriften moeten allemaal zorgvuldig worden beoordeeld.
Dit heeft tot gevolg gehad dat het verzoek om herbeoordeling van eiser nog niet is afgehandeld. Deze omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank een beslistermijn van twaalf weken, die is gaan lopen na de indiening van het verweerschrift. Omdat deze termijn op het moment van de uitspraak al is verstreken, ziet de rechtbank in dit geval geen aanleiding om op grond van artikel 8:55d, derde lid, van de Awb af te wijken van de standaardtermijn van twee weken. Verweerder was zich er op het moment van het indienen van het verweerschrift van bewust dat hij de beslistermijn had overschreden en had de procedure zoals omschreven in het verweerschrift toen al kunnen starten. Hij heeft daarmee niet hoeven wachten op deze uitspraak. Verweerder moet daarom, mede gelet op artikel 6.7 Wet hersteloperatie toeslagen, binnen twee weken na de dag van verzending van de uitspraak een vooraankondiging over de uitkomst van het herbeoordelingsverzoek verzenden. Vervolgens moet hij binnen twee weken na ontvangst van een zienswijze op de vooraankondiging of binnen twee weken na het verstrijken van de termijn van zes weken om te reageren op de vooraankondiging een besluit op het herbeoordelingsverzoek bekend maken. Door snel een zienswijze in te dienen of mee te delen dat geen zienswijze wordt ingediend heeft een aanvrager het in de hand om het tweede deel van deze termijn zo kort als mogelijk te maken.
7. Verweerder verzoekt onder verwijzing naar art. 8:55d lid 3 Awb voorts om in de uitspraak de mogelijkheid op te nemen van verlenging van de termijn bij vertraging door toedoen van eiseres of (andere) omstandigheden, waarop verweerder geen invloed kan uitoefenen.
De rechtbank wijst het verzoek om een uitspraak over verlenging van de termijn wegens omstandigheden buiten de invloed van verweerder af. De wet kent geen onbepaalde, mogelijke verlenging van de termijn vooraf (vanwege nog niet bekende en nog niet ingetreden omstandigheden). Die zou ook teveel rechtsonzekerheid opleveren. In bijzondere omstandigheden zal verweerder achteraf moeten beoordelen of sprake is van omstandigheden die het beroep op verbeurte van een dwangsom onrechtmatig maken. Overigens is in de wet bij het bepalen van maximale termijnen voor besluiten (op bezwaar) de mogelijkheid verdisconteerd dat omstandigheden intreden waar verweerder geen invloed op heeft. Voor zover het de wederpartij van verweerder is die de vertraging veroorzaakt kan verweerder bij verzuim van die wederpartij of in overleg met die wederpartij de termijn opschorten of (aanzeggen dat hij) aan het uitblijven van medewerking/informatie de conclusies (moet) verbinden, die hij gepast acht. Omstandigheden die buiten de invloedssfeer liggen van beide partijen komen in beginsel voor rekening van de partij die aan zet is (verweerder, als het gaat om een besluit (op bezwaar)).
8. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom verbeurt als hij de gestelde termijnen overschrijdt. De rechtbank stelt de hoogte van deze dwangsom vast op € 100,- per dag dat de termijnen overschreden wordt, met een maximum van € 15.000,-. Dat betekent dat de dwangsom begint te lopen op het moment dat de verweerder de eerste termijn van twee weken overschrijdt en deze doorloopt tot op het moment dat de vooraankondiging over de uitkomst van het herbeoordelingsverzoek is verzonden. Als verweerder vervolgens ook de tweede termijn overschrijdt, gaat de dwangsom weer verder lopen tot het moment dat verweerder een besluit neemt. De rechtbank ziet geen aanleiding om een hoger bedrag dan € 100,- per dag toe te kennen. De dwangsom is bedoeld om verweerder voldoende te prikkelen om spoedig te beslissen en niet om verweerder te bestraffen, zodat een bedrag van € 100,- per dag overschrijding volstaat.
9. Het beroep is dus gegrond. Verweerder moet ook het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
10. De rechtbank veroordeelt verweerder verder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 418,50,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van
€ 837,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en of er een dwangsom verschuldigd is.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen twee weken na verzending van het afschrift van deze uitspraak de vooraankondiging over de uitkomst van het herbeoordelingsverzoek te verzenden en binnen twee weken na ontvangst van een zienswijze op de vooraankondiging of binnen twee weken na het verstrijken van de termijn van zes weken om te reageren op de vooraankondiging een besluit op het herbeoordelingsverzoek bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag
waarmee hij de hiervoor genoemde termijnen overschrijdt, met een maximum van
€ 15.000,-;
- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiser vergoedt.
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 418,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Rop, rechter, in aanwezigheid van
mr. A. Ouni, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 30 juni 2023.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.