ECLI:NL:RBROT:2023:5687

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 juni 2023
Publicatiedatum
30 juni 2023
Zaaknummer
C/10/656288 / JE RK 23-882
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing in belang van kind

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond verzocht op 17 april 2023 om verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van het kind [naam kind01] bij de moeder voor de duur van een jaar. De zaak werd op 12 juni 2023 mondeling behandeld, waarbij de moeder en een vertegenwoordiger van de GI aanwezig waren; de vader was afwezig.

Het kind is sinds 8 juli 2021 onder toezicht gesteld en de machtiging tot uithuisplaatsing was reeds verlengd tot 29 juni 2023. Ondanks inspanningen van de GI is er geen structureel contact tussen vader en kind tot stand gekomen, en heeft het kind sinds november 2022 geen contact meer met zijn vader. De vader communiceert via zijn advocaat en heeft aangegeven akkoord te zijn met wijziging van hoofdverblijf en eenhoofdig gezag voor de moeder.

De kinderrechter oordeelt dat de voorwaarden voor verlenging van de ondertoezichtstelling (art. 1:255 BW Pro) en machtiging tot uithuisplaatsing (art. 1:265c lid 2 BW) zijn vervuld. De ontwikkelingsbedreiging door het ontbreken van vadercontact en de echtscheidingsproblematiek rechtvaardigen voortzetting van de maatregelen. De ondertoezichtstelling en machtiging worden verlengd tot 29 juni 2024, uitvoerbaar bij voorraad, in afwachting van de lopende procedure over hoofdverblijf en gezag.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van het kind bij de moeder worden verlengd tot 29 juni 2024.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Jeugdrecht
Zaaknummer: C/10/656288 / JE RK 23-882
Datum uitspraak: 12 juni 2023
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI,
betreffende

[naam kind01],

geboren op [geboortedatum01] 2013 te [geboorteplaats01], hierna te noemen: [naam kind01].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam01],

hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats01],

[naam02],

hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats02].

Het procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van de GI van
17 april 2023, ingekomen bij de griffie op 17 april 2023.
Op 12 juni 2023 heeft de kinderrechter de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld.
Verschenen zijn:
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam03].
De vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

De feiten

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [naam kind01].
[naam kind01] woont bij zijn moeder.
Bij beschikking van 8 juli 2021 is [naam kind01] onder toezicht gesteld. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst op 13 juni 2022 tot 29 juni 2023.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 23 december 2022 ook de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind01] bij de moeder met gezag verlengd tot 29 juni 2023.

Het verzoek

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [naam kind01] te verlengen voor de duur van een jaar.
Tevens verzoekt de GI een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind01] voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De GI handhaaft het verzoek en licht het als volgt toe. De GI heeft tot op heden geen reactie van de vader zelf ontvangen. Wel is er inmiddels contact tussen de advocaat van de vader en de advocaat van de moeder. De vader heeft via zijn advocaat laten weten dat hij akkoord is met de door de moeder ingediende verzoeken, te weten wijziging hoofdverblijf en eenhoofdig gezag voor de moeder. De vader heeft daarbij ook aangegeven dat hij de erkenning wil terugdraaien en de achternaam van [naam kind01] wil wijzigen naar de achternaam van de moeder. De GI heeft het afgelopen jaar alles geprobeerd om in contact te komen met de vader. De inspanningen vanuit de GI hebben echter helaas niet geresulteerd in structurele omgang tussen de vader en [naam kind01] en het opstarten van de hulpverlening bij de vader. [naam kind01] heeft sinds november 2022 geen contact meer gehad met zijn vader. Omdat het ondanks de inzet van de GI niet is gelukt, heeft de GI het initiatief nu bij de vader gelegd. In afwachting van de door de moeder ingediende procedure bij de rechtbank is een verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk.

Het standpunt van de moeder

De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling ingestemd met het verzoek van de GI. Het gaat goed met [naam kind01]. Hij vindt het wel lastig dat hij zijn vader niet ziet en voor zijn gevoel geen vader heeft.

De beoordeling

Op basis van de stukken is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de grond voor de ondertoezichtstelling bedoeld in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind01] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, BW).
Uit de overgelegde stukken en tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat in de afgelopen periode weinig vooruitgang is geboekt binnen de ondertoezichtstelling en dat [naam kind01] zodoende nog steeds in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De ontwikkelingsbedreiging van [naam kind01] is gelegen in het ontbreken van contact met zijn vader. Tussen de ouders is sprake van echtscheidingsproblematiek, waarbij de ouders onvoldoende in staat zijn om op neutrale wijze te communiceren in het belang van [naam kind01]. Alhoewel de GI zich daarvoor heeft ingespannen, is het niet gelukt om tot een structurele omgangsregeling te komen. In het afgelopen jaar hebben slechts enkele bijeenkomsten van video interactie begeleiding doorgang gevonden, maar ook dat traject heeft de vader niet afgerond. De vader reageert niet meer op berichten van de GI, toont geen initiatief om contact met [naam kind01] te hebben en communiceert momenteel via zijn advocaat. [naam kind01] heeft sinds november 2022 geen contact meer gehad met zijn vader. Daarnaast is er nog altijd geen communicatie tussen de moeder en de vader. De moeder heeft inmiddels bij de rechtbank het verzoek ingediend voor wijziging hoofdverblijfplaats en het toekennen van eenhoofdig gezag. De kinderrechter is gezien het voorgaande van oordeel dat de kinderbeschermingsmaatregelen moeten worden voortgezet, in ieder geval tot bovengenoemde procedure is afgerond en er duidelijkheid is over de verblijfplaats van [naam kind01]. De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind01] bij de moeder met gezag verlengen voor de duur van een jaar. Zodra er uitsluitsel is over het hoofdverblijf en het gezag, zal de GI moeten bezien of het langer laten voortduren van de ondertoezichtstelling nog van waarde is.

De beslissing

De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [naam kind01] tot 29 juni 2024;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind01] bij de moeder met gezag tot 29 juni 2024;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2023 door mr. W.J. Loorbach, kinderrechter, in aanwezigheid van S.H. Harders als griffier, en op schrift gesteld op 26 juni 2023.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.