De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van twee minderjarige meisjes vanwege zorgen over hun welzijn en langdurig schoolverzuim. De moeder oefent het ouderlijk gezag uit en woont met de kinderen samen. De zitting vond plaats met gesloten deuren, waarbij de oudste minderjarige apart werd gehoord met een beëdigde tolk.
De kinderrechter constateerde dat de oudste minderjarige ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd door sociaal-emotionele, lichamelijke en cognitieve problemen, mede veroorzaakt door ingrijpende levensgebeurtenissen zoals huiselijk geweld en verslavingsproblematiek in het gezin. Er is sprake van langdurig schoolverzuim zonder medische oorzaak en onvoldoende zorg vanuit de moeder, die ambivalent staat tegenover hulpverlening.
Voor de jongste minderjarige zijn de zorgen minder ernstig; zij ontwikkelt zich goed ondanks haar verleden en er is geen sprake van ernstige ontwikkelingsbedreiging. De moeder heeft toegezegd noodzakelijke zorg zoals een bril en beugel te regelen. De kinderrechter besloot daarom de oudste onder toezicht te stellen voor twaalf maanden en wees het verzoek voor de jongste af.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden door belanghebbenden worden aangevochten bij het gerechtshof Den Haag.