Verzoekster heeft een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, waarbij een betaling van 0,43% aan preferente en 0,21% aan concurrente schuldeisers wordt voorgesteld, gebaseerd op prognose van toekomstige inkomsten na afstuderen en het verkrijgen van een fulltime baan. Zestien van de zeventien schuldeisers gingen akkoord, maar één schuldeiser, Versteeg, stemde niet in.
De rechtbank constateert dat Versteeg een vordering heeft van 11% van de totale schuldenlast en dat het voorstel zorgvuldig is getoetst door een onafhankelijke partij, de Kredietbank Rotterdam. Verzoekster staat onder beschermingsbewind en heeft een stabiele financiële situatie, waardoor het ontstaan van nieuwe schulden niet te verwachten is.
De rechtbank weegt het belang van verzoekster en de meerderheid van schuldeisers zwaarder dan dat van Versteeg en beveelt Versteeg om in te stemmen met de schuldregeling. Het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen omdat het dwangakkoord een gunstiger resultaat oplevert voor schuldeisers.