Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 13 juni 2023 met één productie;
- de mondelinge behandeling op 22 juni 2023.
Rechtbank Rotterdam
Partijen zijn in 2019 getrouwd en hebben samen een minderjarige dochter. Na hun echtscheiding in augustus 2021 is bij beschikking bepaald dat de vrouw huurster van de gezamenlijke woning blijft vanaf het moment dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
De vrouw vordert in kort geding dat de man zich binnen drie dagen uitschrijft van het adres en de woning verlaat. De rechtbank overweegt dat uitschrijving uit de Basisregistratie Personen alleen mogelijk is bij vertrek naar het buitenland voor langer dan acht maanden, wat hier niet het geval is. Daarom wordt de vordering tot uitschrijving afgewezen.
De vordering tot het verlaten van de woning wordt toegewezen omdat de man geen recht meer heeft op verblijf in de woning, nu de vrouw huurster is. De man heeft geen concrete afspraken kunnen aantonen dat hij langer mocht blijven, en het belang van de vrouw om de woning alleen te gebruiken weegt zwaarder dan het belang van de man.
De man krijgt een termijn van veertien dagen om de woning te verlaten, met een dwangsom van € 50 per dag tot maximaal € 5.000 bij niet-nakoming. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij de eigen kosten draagt.
Uitkomst: De man moet binnen veertien dagen de huurwoning verlaten, maar de vordering tot uitschrijving uit de BRP wordt afgewezen.