ECLI:NL:RBROT:2023:6161
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen WOZ-waarde 155.000 euro; immateriële schadevergoeding afgewezen wegens gering financieel belang
Eiser betwist de vastgestelde WOZ-waarde van zijn portiekwoning in Rotterdam, gesteld op € 155.000,- voor het belastingjaar 2021, en vordert een lagere waarde van € 150.000,-. Verweerder heeft een taxatierapport overgelegd waarin de waarde is onderbouwd met vergelijkbare woningen en een waardematrix. De rechtbank oordeelt dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld, mede omdat de verschillen binnen een redelijke bandbreedte vallen.
Eiser stelde dat het bestreden besluit onbevoegd was genomen, maar de rechtbank volgt verweerder in de uitleg dat sprake is van attributie en niet van mandaat, waardoor het besluit rechtsgeldig is. Daarnaast is het beroep behandeld door de meervoudige kamer, waarbij eiser en zijn gemachtigde zich telefonisch afmelden.
De rechtbank constateert een overschrijding van de redelijke termijn van ruim twee jaar en vier maanden. Desondanks wijst zij het verzoek om immateriële schadevergoeding af, omdat het financiële belang van eiser tussen € 20,- en € 25,- ligt, wat als zeer gering wordt aangemerkt. De rechtbank stelt een bedrag van € 25,- voortaan aan te houden als grens voor een zeer gering financieel belang.
De rechtbank concludeert dat de WOZ-waarde terecht is vastgesteld, het beroep ongegrond is en dat eiser geen vergoeding van immateriële schade, griffierecht, proceskosten of wettelijke rente ontvangt.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde is ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn is afgewezen.