ECLI:NL:RBROT:2023:6162
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vaststelling WOZ-waarde van sociale huurwoning
Eiser, huurder van een sociale huurwoning in Rotterdam, betwist de vastgestelde WOZ-waarde van €155.000 per 1 januari 2020 en stelt dat deze te hoog is vastgesteld op €150.000. Verweerder, de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, onderbouwt de waarde met een taxatierapport en vergelijkingsobjecten in een vergelijkbare wijk. De rechtbank oordeelt dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld, mede gezien de geringe afwijking van 3,2% tussen de waarden.
Eiser voert aan dat het bestreden besluit onbevoegd is genomen, maar de rechtbank volgt dit niet omdat de directeur Belastingen als heffingsambtenaar bevoegd is het besluit te nemen. Daarnaast wijst de rechtbank de stellingen van eiser over onvoldoende rekening houden met onderhoud, isolatie en kwaliteit af, omdat deze onvoldoende zijn onderbouwd en de taxatieobjecten vergelijkbaar zijn.
De rechtbank constateert dat de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep is overschreden, maar wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af omdat eiser geen financieel belang heeft bij de WOZ-waarde, aangezien hij huurder is en de belastingen voor rekening van de eigenaar komen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.