ECLI:NL:RBROT:2023:6370
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond op bezwaar tegen vaststelling definitieve tegemoetkoming NOW-6
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid waarin de definitieve tegemoetkoming op grond van de NOW-6 werd vastgesteld op € 10.366,-, waarbij zij nog een nabetaling van € 2.470,- zou ontvangen. Eiseres stelt dat zij recht heeft op een hogere tegemoetkoming van € 14.091,-, omdat zij meer loon heeft uitbetaald in de meetperiode dan waar de berekening op is gebaseerd.
De rechtbank overweegt dat de berekening van de loonsom voor de subsidie dwingend is voorgeschreven in artikel 15, tweede lid, van de NOW-6, waarbij moet worden uitgegaan van het loon over de maand oktober 2021. Dit is gekozen omdat oktober 2021 de meest representatieve maand is volgens de toelichting bij de regeling. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een calamiteit die een afwijking rechtvaardigt.
De rechtbank wijst het beroep af omdat verweerder terecht is uitgegaan van de polisadministratie en loonstroken, waarin de werknemer die contant werd betaald niet in oktober 2021 stond geregistreerd. Ook het loon van de proefplaatsing in oktober 2021 is terecht niet meegenomen. Er is geen strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur vastgesteld.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het besluit tot vaststelling van de definitieve tegemoetkoming NOW-6 wordt ongegrond verklaard.