De veroordeelde werd bij vonnis van 12 augustus 2020 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan hij op 21 oktober 2021 voorwaardelijk in vrijheid werd gesteld met een proeftijd van 365 dagen. Tijdens deze proeftijd moest hij onder meer deelnemen aan een gedragsinterventie gericht op cognitieve vaardigheden (CoVa-training).
Vanwege een periode van detentie in België kon de veroordeelde deze training niet volgen. De officier van justitie verzocht daarom op 22 mei 2023 om verlenging van de proeftijd. De reclassering bevestigde de noodzaak van de training, omdat de veroordeelde nog steeds moeite heeft met assertiviteit en het aangeven van grenzen, wat risico's met zich meebrengt.
Tijdens de terechtzitting van 9 juni 2023 werden de veroordeelde, zijn raadsman, de officier van justitie en een reclasseringswerker gehoord. De raadsman betwistte de noodzaak van verlenging, stellende dat de veroordeelde inmiddels in een werkveld zit waar hij andere trainingen kan volgen.
De rechtbank oordeelde echter dat de noodzaak voor de CoVa-training onverminderd bestaat en verlengde de proeftijd met 365 dagen. Hiermee wordt de kans vergroot dat de veroordeelde de gedragsinterventie alsnog kan afronden en recidive wordt beperkt.