De rechtbank Rotterdam behandelde op 30 juni 2023 een kort geding tussen de moeder en vader van een minderjarige jongen geboren in 2009. De ouders oefenden gezamenlijk het ouderlijk gezag uit en de hoofdverblijfplaats was bij de moeder. Na een incident eind maart 2023 waarbij de minderjarige bij de vader ging verblijven, vorderde de moeder dat de vader het kind binnen 48 uur aan haar zou afgeven conform de geldende zorgregeling.
De vader stelde dat hij zich zorgen maakte over de thuissituatie bij de moeder vanwege een ver uit de hand gelopen confrontatie waarbij de moeder zichzelf zou hebben gesneden en het kind de toegang tot haar woning werd ontzegd. De moeder betwistte deze beschuldigingen en stelde dat het slechts een stevige woordenwisseling betrof.
De voorzieningenrechter oordeelde dat onvoldoende grond bestond om het kind bij de moeder weg te houden en dat het kind in principe aan de moeder moet worden afgegeven. Gezien het loyaliteitsconflict waarin het kind verkeert en zijn duidelijke wens om om de week bij vader en moeder te verblijven, werd de zorgregeling aangepast. Vanaf 1 juli 2023 verblijft het kind de even weken bij de vader en de oneven weken bij de moeder, met onderlinge afstemming over vakanties.
De rechtbank schorst de uitvoering van de eerdere omgangsregeling en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.