De moeder en vader hebben gezamenlijk gezag over hun dochter, geboren in 2021. De moeder wenst met de dochter op zomervakantie naar Tsjechië te gaan van 16 tot 30 juli 2023, maar de vader weigert hiervoor toestemming te geven. De vader stelt dat de moeder moeilijk doet bij omgangsregelingen en daarom niet wil meewerken.
De voorzieningenrechter beoordeelt dat het geschil valt onder artikel 1:253a BW, dat voorziet in rechterlijke beslissing bij onenigheid over uitoefening van gezamenlijk gezag. De spoedeisendheid van de vordering is vastgesteld vanwege de aanstaande vakantieperiode.
Na beoordeling van de feiten en argumenten concludeert de rechter dat er geen gegronde redenen zijn om de toestemming te weigeren. Er is geen sprake van belangen die de vakantie in het belang van het kind zouden schaden. De vordering tot vervangende toestemming wordt daarom toegewezen. De moeder heeft haar vordering tot afgifte van het identiteitsbewijs ingetrokken. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij zijn eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.