Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1..Onderzoek op de terechtzitting
2..Tenlastelegging
3..Eis officier van justitie
- bewezenverklaring van het ten laste gelegde onder de parketnummers 10/322693-22, 10/295455-22, 10/318289-22, 10/089260-23, 10/099537-23;
- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en de bijzondere voorwaarden zoals genoemd in het rapport van de reclassering van 3 maart 2023.
4..Waardering van het bewijs
De rechtbank stelt allereerst vast dat de foto die is gedeeld geschikt is voor een herkenning. De kwaliteit van de foto is goed en er is voldoende van het gezicht van de betreffende persoon te zien om tot een herkenning te komen. Uit het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant03] blijkt dat de politiemedewerker [naam02] de persoon op deze foto heeft herkend als de verdachte. Ook de verbalisant die de verdachte op 14 november 2022 heeft verhoord herkent de verdachte op deze foto. Op zichzelf zijn dit geen toetsbare herkenningen, nu uit het proces-verbaal van [verbalisant03] , noch uit het proces-verbaal van verhoor duidelijk blijkt op basis van welke persoonskenmerken de verdachte door de verbalisanten werd herkend.
Deze herkenningen vinden echter voldoende steun in het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant02] . Hij heeft aan de hand van diverse persoonskenmerken de persoon op de foto vergeleken met de politiefoto van de verdachte na zijn aanhouding. De verbalisant heeft daarbij het sterke vermoeden dat de verdachte de persoon is die op de foto is te zien. Op basis van het voorgaande, in samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat de verdachte de persoon op de foto is en dus dat hij de diefstal heeft gepleegd.
5..Strafbaarheid feiten
2..diefstal;
1..diefstal;
4. diefstal;
5. diefstal;
7. diefstal.
6..Strafbaarheid verdachte
7..Motivering straf
8..Toepasselijke wettelijke voorschriften
9..Bijlagen
10.. Beslissing
gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;
drie (3) maandenniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
3 jaren;