ECLI:NL:RBROT:2023:6797
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling bij beroep op IVA-uitkering met hogere pro-ratafactor
In deze bestuursrechtelijke procedure bij de rechtbank Rotterdam staan twee zaken centraal (ROT 22/4752 en ROT 22/4753) waarin verzoeker bezwaar maakte tegen besluiten van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) over zijn recht op een IVA-uitkering.
Het primaire besluit I (ROT 22/4752) kende verzoeker een IVA-uitkering toe vanaf 19 augustus 2013. Het primaire besluit II (ROT 22/4753) regelde de verrekening van deze uitkering met andere gemeentelijke uitkeringen. Verweerder verklaarde de bezwaren ongegrond, waarbij in besluit I een pro-ratafactor van 0,6736 werd gehanteerd.
Na nadere stukken en heroverweging besloot verweerder op 22 mei 2023 het bezwaar gegrond te verklaren en een hogere pro-ratafactor van 0,7148 toe te kennen. Verzoeker trok daarop beide beroepen in en verzocht om proceskostenvergoeding. De rechtbank oordeelde dat het verzoek in ROT 22/4752 gegrond is en veroordeelde verweerder tot vergoeding van €2.031,- aan proceskosten. Het verzoek in ROT 22/4753 werd afgewezen omdat geen tegemoetkoming plaatsvond.
De rechtbank wees tevens op de verplichting van verweerder tot vergoeding van het griffierecht van €50,-. De uitspraak werd gedaan door rechter D. Haan op 1 augustus 2023.
Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €2.031,- in zaak ROT 22/4752; verzoek in ROT 22/4753 wordt afgewezen.