ECLI:NL:RBROT:2023:6893

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
31 juli 2023
Publicatiedatum
1 augustus 2023
Zaaknummer
C/10/659223 / KG ZA 23-505
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot medewerking verkoop woning wegens ontbreken spoedeisend belang

Partijen, voormalige partners en gezamenlijk eigenaar van een woning, zijn in geschil over de verkoop van de woning na beëindiging van hun relatie. De man vordert dat de vrouw wordt veroordeeld tot medewerking aan verkoop en overdracht van de woning, inclusief het geven van benodigde toestemmingen en handtekeningen.

De rechtbank overweegt dat een vordering tot verkoop van gemeenschapsgoed in kort geding kan worden toegewezen indien er sprake is van een spoedeisend belang. De man heeft echter onvoldoende feitelijke onderbouwing gegeven voor het spoedeisend belang, terwijl de vrouw een zwaarwegend belang heeft om nog minimaal drie jaar in de woning te verblijven vanwege de schooltijd van hun dochter.

Gezien het ontbreken van een spoedeisend belang wijst de rechtbank de vorderingen af. Gezien de affectieve relatie tussen partijen worden de proceskosten gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De vordering tot medewerking aan verkoop van de woning wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/659223 / KG ZA 23-505
Vonnis in kort geding van 31 juli 2023
in de zaak van
[eiser01],
wonende te [woonplaats01] ,
eiser,
advocaat mr. P.H.A. de Boer te Rotterdam,
tegen
[gedaagde01],
wonende te [woonplaats02] ,
gedaagde,
advocaat mr. M. Jonkman te Capelle aan den IJssel.
Partijen worden hierna [eiser01] en [gedaagde01] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 30 juni 2023, met producties 1 tot en met 10;
  • de conclusie van antwoord.
1.2.
Op 17 juli 2023 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen zijn beiden met hun advocaat verschenen.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Ze zijn de ouders van dochter [kind01] , geboren op [geboortedatum01] 2007. In september 2017 is de relatie tussen partijen beëindigd.
2.2.
Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de woning aan de [adres01] te
( [postcode01] ) Capelle aan den IJssel (hierna: de woning). Na het beëindigen van de relatie is de vrouw met [kind01] in de woning blijven wonen.
2.3.
De Belastingdienst heeft in totaal € 2.401,- en € 382,- bij de man teruggevorderd in het kader van voorlopige aanslagen inkomstenbelasting 2021 en 2022. Deze bedragen waren door de Belastingdienst gestort op de gezamenlijke rekening van partijen.

3.Het geschil

3.1.
De man vordert samengevat - om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
de vrouw te veroordelen haar medewerking te verlenen aan de verkoop en overdracht van de woning;
waarbij dit vonnis zo nodig in de plaats komt van de benodigde toestemming en handtekening van de vrouw voor de opdrachtverstrekking aan de makelaar, het verkopen van de woning en het sluiten van een koopovereenkomst, de opdrachtverstrekking aan de notaris, het aflossen van de hypotheek, het beëindigen van de beleggingsverzekering en alle andere daartoe benodigde handelingen;
en de vrouw te veroordelen in de kosten van het geding.
3.2.
De vrouw voert verweer.

4.De beoordeling

4.1.
De vorderingen van de man strekken tot veroordeling van de vrouw tot - kort gezegd - medewerking aan de verkoop en levering van de woning. Als uitgangspunt geldt dat partijen niet gehouden zijn om in een onverdeelde gemeenschap te blijven. Dit betekent dat het aandeel van de één in de woning (met de daaraan verbonden hypothecaire verplichting) aan de ander moet worden overgedragen of dat de woning moet worden verkocht aan een derde.
4.2.
Anders dan de vrouw stelt, kan in beginsel een vordering tot verkoop en levering van een gemeenschapsgoed aan een derde, met het oog op verdeling van de gemeenschap, worden toegewezen in kort geding (vgl. HR 31 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:499, r.o. 3.4). Dit doet echter niets af aan het feit dat voor toewijzing van deze vordering in kort geding een spoedeisend belang vereist is. Voldoende spoedeisend belang kan worden aangenomen als de eisende partij aannemelijk maakt dat een bodemprocedure niet kan worden afgewacht.
4.3.
Volgens de vrouw heeft de man geen spoedeisend belang bij zijn vorderingen, omdat hij geen feiten en omstandigheden stelt waaruit volgt dat een onmiddellijke voorziening vereist is en dat de uitkomst van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht.
4.4.
De man heeft in de dagvaarding de vereiste spoedeisendheid niet gemotiveerd. Pas tijdens de mondelinge behandeling heeft hij gesteld dat de woning moet worden verkocht, omdat partijen verder moeten met hun leven. De man heeft daarbij aangevoerd dat hij een nieuwe relatie heeft en graag elders een woning wil kunnen kopen. De man heeft deze stellingen echter in het geheel niet feitelijk onderbouwd, zodat niet gebleken is dat een bodemprocedure niet kan worden afgewacht.
4.5.
Daar komt bij het verweer van de vrouw dat zij een zwaarwegend belang heeft om nog minimaal drie jaren in de woning te verblijven, zodat [kind01] haar middelbare schooltijd op dezelfde school kan afmaken. Volgens de vrouw heeft de man hier nooit een probleem van gemaakt. Volgens de vrouw is het de man op dit moment eigenlijk alleen maar te doen om terugbetaling van de voorlopige belastingteruggaven 2021 en 2022, omdat zij die bedragen heeft aangewend voor betaling van de (woon- en) hypotheeklasten (zie 2.4). Partijen zijn over dit geschilpunt in onderhandeling getreden, maar dit heeft niet tot een oplossing geleid. De man heeft vervolgens onnodig dit kort geding aanhangig gemaakt, aldus de vrouw. De man heeft hierop niet gereageerd.
4.6.
Dit alles leidt er toe dat onvoldoende is gebleken dat de man voldoende spoedeisend belang heeft bij toewijzing van de vorderingen. De vorderingen worden dan ook afgewezen.
4.7.
In de omstandigheid dat partijen een affectieve relatie met elkaar hebben gehad, ziet de voorzieningenrechter aanleiding de proceskosten te compenseren.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2023.
[3070/2009]