De rechtbank Rotterdam behandelde op 21 juni 2023 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie van categorie III. De officier van justitie eiste een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand met een proeftijd van twee jaar.
Tijdens de terechtzitting kwam naar voren dat verdachte verklaarde het wapen op het nachtkastje te hebben gezien toen zij ging slapen. Daarnaast werd DNA van verdachte aangetroffen op een kogelpatroon uit het magazijn van het wapen. De rechtbank moest beoordelen of dit voldoende bewijs was dat verdachte feitelijk de beschikking had over het wapen en de munitie.
De verdachte woonde niet samen met haar partner en verbleef slechts incidenteel in diens woning. Er was geen bewijs dat zij zich eerder bewust was van het wapen. De rechtbank concludeerde dat het wapen en de munitie binnen de beschikkingsmacht van de partner vielen en dat niet overtuigend was aangetoond dat verdachte juridisch gezien over het wapen kon beschikken.
De aanwezigheid van DNA op het patroon werd mogelijk verklaard door secundaire overdracht. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde feit wegens onvoldoende bewijs.