ECLI:NL:RBROT:2023:7029

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 mei 2023
Publicatiedatum
8 augustus 2023
Zaaknummer
FT EA 23/306 en FT EA 23/307
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b FwArt. 288 lid 1 sub b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tot opschorting ontruiming wegens schuldsaneringsregeling

Verzoeker heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van zijn huurwoning opschort. De rechtbank constateert dat er sprake is van een bedreigende situatie, omdat een vonnis tot ontruiming is uitgesproken en de ontruiming op korte termijn zal plaatsvinden.

De rechtbank weegt het belang van verzoeker, die in zijn woning wil blijven en het minnelijk schuldhulpverleningstraject wil doorlopen, af tegen het belang van verweerster, die het vonnis wil uitvoeren. Gelet op het feit dat verzoeker de huur voor april en mei 2023 heeft voldaan en een inkomen uit WIA-uitkering ontvangt dat voldoende is om de huur te betalen, weegt het belang van verzoeker zwaarder.

De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe voor de duur van zes maanden, onder de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan en dat de schuldhulpverlener verslag uitbrengt. Tevens verklaart de rechtbank verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling op grond van artikel 284, tweede lid, Fw, omdat het minnelijk traject naar verwachting niet snel zal worden afgerond.

Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe die de ontruiming opschort voor zes maanden en verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer01] - [nummer02]
uitspraakdatum: 19 mei 2023
[verzoeker01],
wonende te [adres01]
[postcode01] [plaats01] ,
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 27 maart 2023, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van 27 maart 2023 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 4 mei 2023.
Ter zitting van 4 mei 2023 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • de heer mr. J. Verheij, advocaat van verzoeker, werkzaam bij JAW Advocaten;
  • mevrouw [naam01] , incassomedewerker, werkzaam bij Stichting Havensteder;
  • de heer mr. S.F. Dik, advocaat, werkzaam bij Huisvestingsadvocaten B.V., namens Stichting Havensteder, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster).
De heer mr. S.F. Dik, werkzaam bij Huisvestingsadvocaten B.V. heeft namens verweerster voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 27 januari 2023 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker is op 12 april 2023 aangemeld bij de gemeente Capelle aan de IJssel voor schuldhulpverlening en ontvangt sinds 2 mei 2023 hulp met het oplossen van de schulden. Verzoeker heeft de huur voor de maanden april en mei 2023 betaald. Verzoeker heeft een inkomen van € 1.496,81, bestaande uit een WIA-uitkering en de huur bedraagt € 872,81 per maand. Verzoeker is in staat om de komende maanden de huur tijdig en volledig te voldoen.

3.Het verweer

Verweerster heeft de rechtbank ter zitting verzocht het verzoek moratorium af te wijzen. De huurachterstand bedraagt thans € 14.576,26. Verzoeker kan het maandelijkse huurbedrag niet betalen, omdat hij niet over voldoende inkomen beschikt om in de vrije sector te huren. Verweerster vreest dat de huurachterstand verder zal oplopen door de onstabiele inkomenssituatie van verzoeker. Verzoeker heeft hulp bij zijn financiële problemen en een oplossing in de vorm van een andere woning meermaals geweigerd. Er is geen begin gemaakt met het minnelijktraject.
Daarnaast stelt verweerster dat een verzoek ex. artikel 287b Fw. getoetst mag worden aan de gronden uit artikel 288 lid 1 sub b FW Pro. Verweerster stelt dat verzoeker niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan van de huurschuld, nu hij hulp weigerde bij zijn financiële situatie – veroorzaakt door het te duur wonen. De huurschuld is geheel verwijtbaar aan verzoeker.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 27 januari 2023 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 20 maart 2023 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 3 april 2023 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 27 januari 2023 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Het inkomen uit de WIA-uitkering is voldoende om de huur van € 872,81 te voldoen. De huur voor de maanden april en mei 2023 is voldaan. De toetsing van de goede trouw heeft geen plaats in de behandeling van de voorlopige voorziening en is voorbehouden aan inhoudelijke behandeling van het WSNP-verzoek. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 27 januari 2023 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan het [adres01] te Capelle aan den IJssel, voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat de schuldhulpverlener die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. de Jong, rechter, en in aanwezigheid van L.M. Heinis, griffier, in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2023.