Verzoeker heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van zijn huurwoning opschort. De rechtbank constateert dat er sprake is van een bedreigende situatie, omdat een vonnis tot ontruiming is uitgesproken en de ontruiming op korte termijn zal plaatsvinden.
De rechtbank weegt het belang van verzoeker, die in zijn woning wil blijven en het minnelijk schuldhulpverleningstraject wil doorlopen, af tegen het belang van verweerster, die het vonnis wil uitvoeren. Gelet op het feit dat verzoeker de huur voor april en mei 2023 heeft voldaan en een inkomen uit WIA-uitkering ontvangt dat voldoende is om de huur te betalen, weegt het belang van verzoeker zwaarder.
De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe voor de duur van zes maanden, onder de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan en dat de schuldhulpverlener verslag uitbrengt. Tevens verklaart de rechtbank verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling op grond van artikel 284, tweede lid, Fw, omdat het minnelijk traject naar verwachting niet snel zal worden afgerond.