Verzoekster heeft op grond van artikel 287b Faillissementswet een voorlopige voorziening gevraagd om de ontruiming van haar huurwoning op te schorten. De ontruiming was bevolen in een vonnis van 15 april 2022 en stond gepland voor 10 mei 2023. Verzoekster heeft verklaard dat zij door onregelmatige inkomsten betalingsachterstanden had, maar inmiddels een stabiel inkomen heeft en de huur voor juni 2023 reeds heeft voldaan.
Verweerster, de verhuurder, verzette zich niet tegen de voorziening maar betwijfelde het vertrouwen in het nakomen van toekomstige betalingsverplichtingen, gezien eerdere betalingsproblemen en stroef contact met schuldhulpverlening. De rechtbank oordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie en dat het belang van verzoekster om in haar woning te blijven en het schuldhulpverleningstraject voort te zetten zwaarder weegt dan het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren.
De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe voor zes maanden, onder de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan. Tevens verklaart de rechtbank verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, met de mogelijkheid een nieuw verzoek in te dienen. De huurovereenkomst wordt voor de duur van de voorziening verlengd.