De zaak betreft een geschil tussen [verzoeker01] en Stichting Havensteder over de vervreemding van drie appartementen. Centraal staan de vragen wanneer de bestuursbesluiten tot vervreemding zijn genomen, of goedkeuring van de Autoriteit Woningcorporaties (AW) vereist is, en wat de peildatum voor de taxatie van de appartementen is.
De rechtbank stelt vast dat de bestuursbesluiten tot vervreemding van de appartementen aan [adres01] en [adres03] geacht worden te zijn genomen respectievelijk in 2017 en 2018. Dit volgt uit het feit dat de appartementen formeel zijn aangeboden aan [verzoeker01], wat duidt op een concreet besluit tot vervreemding. De rechtbank wijst de stelling van Havensteder af dat het besluit al voor 2015 is genomen, omdat dit niet uit de stukken blijkt.
Verder oordeelt de rechtbank dat de Woningwet 2015 en het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 (Btiv) van toepassing zijn, maar dat de vervreemding van de appartementen niet onder het goedkeuringsvereiste van de AW valt. Dit omdat de appartementen als bedrijfsruimte worden aangemerkt en niet als woongelegenheden of maatschappelijke gebouwen, waardoor een uitzondering op het goedkeuringsvereiste geldt.
Tot slot bepaalt de rechtbank dat de peildatum voor de taxatie van de appartementen 23 juli 2018 is, zoals blijkt uit de taxatierapporten van MakelaarsPunt. De proceskosten worden verdeeld zodat partijen ieder hun eigen kosten dragen en beide de helft van het griffierecht betalen.