ECLI:NL:RBROT:2023:7104

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
28 juli 2023
Publicatiedatum
10 augustus 2023
Zaaknummer
660763
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beperkte verlenging ondertoezichtstelling en omgangsregeling kind

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarig kind voor de duur van een jaar. De moeder en de GI zijn betrokken, terwijl de vader niet is verschenen en ambivalent is in zijn omgangswens.

De GI wil de verlenging gebruiken om hulpverlening te starten en te onderzoeken of contactherstel tussen het kind en de vader mogelijk is. De moeder is tegen een lange verlenging en benadrukt dat het kind geen contact wil met de vader en zich wil richten op therapie.

De kinderrechter oordeelt dat het kind nog ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd en therapie nodig heeft, maar dat monitoring ook vrijwillig kan plaatsvinden. Gezien de moeizame omgang met de vader, het stopzetten van de omgangsregeling en het beëindigde gezag van de vader, acht de rechter verder onderzoek naar omgang niet in het belang van het kind.

De ondertoezichtstelling wordt daarom beperkt verlengd tot vier maanden, met de opdracht aan de GI om de regie over de omgang aan te passen. Dit geeft rust aan het kind en de moeder en biedt ruimte voor de therapie van het kind.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling wordt verlengd voor vier maanden met aanpassing van de regie over de omgang met de vader.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/660763 / JE RK 23-1449
Datum uitspraak: 28 juli 2023
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
locatie Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
betreffende
[kind01], geboren op [geboortedatum01] 2010 te [geboorteplaats01] ,
hierna te noemen: [kind01] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam01],
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats01],
[naam02],
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats02] .

1..Het verloop van de procedure

1.1.
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 21 juni 2023;
- de berichten van de GI van 26 juli 2023 en 28 juli 2023.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren vond plaats op 28 juli 2023. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, via videoverbinding,
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam03] .
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft [kind01] naar haar mening gevraagd. Bij bericht van 26 juli 2023 heeft de GI laten weten dat [kind01] achter het verzoek van de GI staat.

2..De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [kind01] .
2.2.
[kind01] woont bij haar moeder.
2.3.
Bij beschikking van 22 juli 2022 is de ondertoezichtstelling van [kind01] verlengd tot 4 augustus 2023.

3..Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [kind01] te verlengen voor de duur van een jaar, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

4..De standpunten

4.1.
De GI handhaaft ter zitting het verzoek en licht dit als volgt toe. De GI verzoekt een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar, maar verwacht binnen negen maanden alles afgerond te hebben voor een overdracht naar het wijkteam. De GI wil de komende periode gebruiken om de hulpverlening van [kind01] te starten en te kijken of het in het belang van [kind01] is om het contact met de vader te herstellen. Momenteel ligt de regie betreffende de omgang tussen [kind01] en de vader bij de GI. Dit is vastgelegd in een beschikking. De GI heeft de omgangsregeling tussen [kind01] en de vader stopgezet, omdat zowel de begeleide omgang als het videobellen niet goed liep. Hoewel de vader aangeeft dat hij graag contact wil met [kind01] , vraagt de GI zich af of de vader hiertoe in staat is. De vader is ambivalent richting de hulpverlening, moeizaam in het contact met de GI en komt zijn afspraken niet na. Mocht [kind01] contact willen met de vader zal hiervoor hulpverlening nodig zijn.
4.2.
De moeder voert ter zitting verweer tegen het verzoek van de GI. De afgelopen dagen is de moeder van mening veranderd. Hoewel de moeder de betrokkenheid van een jeugdbeschermer fijn vindt, begrijpt zij niet waarom de ondertoezichtstelling voor een lange periode verlengd moet worden. Het gaat goed met [kind01] en na een lange wachtlijst bij Forta Jeugd kan de therapie van [kind01] bijna starten. De therapie zal intensief zijn voor [kind01] , maar de moeder vindt dit belangrijk. [kind01] is duidelijk in haar keuze over het contact met de vader. Zij wil dit niet. [kind01] wil zich concentreren op wat ze heeft meegemaakt en wil dus ook starten met therapie. De moeder ziet geen hoop in het contactherstel met de vader. De moeder heeft de vader al twee jaar niet gesproken. De vader zegt dat hij moeite wil doen, maar doet dit vervolgens niet. Er is geen communicatie mogelijk met de vader. Mocht [kind01] in de toekomst wel contact willen met de vader, staat de moeder hier voor open.

5..De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
5.2.
[kind01] wordt nog ernstig in haar ontwikkeling bedreigd. Met de GI en de moeder acht de kinderrechter het van belang dat [kind01] therapie gaat krijgen. Anders dan de GI is de kinderrechter van oordeel dat het monitoren van deze hulpverlening ook in het vrijwillig kader kan. De GI heeft vertrouwen dat de therapie van [kind01] van start kan gaan, zodra [kind01] aan de beurt is. Mocht andere hulpverlening nodig zijn, is dit ook mogelijk via het wijkteam. Een ander belangrijk punt is de rol van de vader in het leven van [kind01] en de omgangsregeling die hiermee samenhangt. Momenteel ligt de regie en de verantwoordelijkheid voor de omgangsregeling bij de GI. De GI heeft de omgangsregeling stopgezet. Het contact met de vader verloopt moeizaam, [kind01] wil geen contact met de vader en de vader accepteert geen hulpverlening. Daarnaast is het gezag van de vader afgelopen april beëindigd. Dit is een bevestiging van de slechte relatie tussen de vader en de hulpverlening. Gelet hierop acht de kinderrechter het niet in het belang van [kind01] dat de GI gaat onderzoeken of het contact met de vader hersteld kan worden. Er ligt een uitspraak waarin het contact met de vader is beperkt. Mocht de vader graag contact willen met [kind01] , zal hij hiervoor langs moeten gaan bij de hulpverlening, het wijkteam of de rechtbank om te kijken welke afspraken gemaakt kunnen worden. Het is van belang dat [kind01] en de moeder rust krijgen en [kind01] zich kan richten op haar therapie.
5.3.
De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [kind01] verlengen voor een kortere periode dan verzocht, te weten voor de duur van vier maanden (artikel 1:260, eerste lid, BW) en het overige deel van het verzoek afwijzen. Deze periode kan gebruikt worden om de therapie van [kind01] te starten. Belangrijker is dat de GI de regie die zij voert over de omgang met vader aanpast. Een periode van vier maanden moet hiervoor voldoende zijn.

6..De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [kind01] tot 4 december 2023;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2023 door mr T. van den Akker, kinderrechter, in aanwezigheid van L.N. van Geest als griffier, en op schrift gesteld op 9 augustus 2023.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.