De rechtbank Rotterdam behandelde op 27 juli 2023 de zaken betreffende de ondertoezichtstelling van een kind geboren in 2011. De moeder oefent het ouderlijk gezag uit en het kind woont bij haar. De ondertoezichtstelling was verlengd tot 20 juli 2023, maar deze maatregel was inmiddels verlopen.
De gecertificeerde instelling (GI) verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling, maar diende het verzoek niet tijdig in volgens het procesreglement. De Raad voor de Kinderbescherming verzocht eveneens om verlenging en handhaafde dit verzoek ter zitting. De GI lichtte toe dat contact met de moeder moeizaam verloopt, zij weinig respons geeft en afspraken niet nakomt, waardoor hulpverlening stagneert. Het kind vertoont nog steeds problematiek, is introverter geworden en wacht op therapie.
De moeder stemde in met het verzoek en gaf aan dat het zorgelijke gedrag op school niet thuis zichtbaar is. De rechtbank constateerde dat er onvoldoende zicht is op de thuissituatie en dat de problematiek van het kind nog onduidelijk is, mede door een diagnostisch onderzoek zonder uitsluitsel. Gezien de intensieve opvoedvraag en mogelijke beperkte belastbaarheid van de moeder achtte de kinderrechter het noodzakelijk het kind onder toezicht te stellen voor twaalf maanden. Het verzoek van de GI tot verlenging werd afgewezen wegens niet-tijdige indiening.
De beschikking werd mondeling gegeven en schriftelijk vastgesteld op 2 augustus 2023. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak of betekening.