ECLI:NL:RBROT:2023:720
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Waarde vaststelling onroerende zaak volgens Wet WOZ bevestigd ondanks laat ingediend taxatierapport
De zaak betreft een geschil over de WOZ-waarde van een tussenwoning uit 1961, gelegen op een perceel van 139 m², vastgesteld op €190.000,- voor het belastingjaar 2021. Eiser betwist deze waarde en stelt dat de waarde €181.000,- zou moeten zijn. Verweerder, de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, heeft de waarde onderbouwd met taxatierapporten en verkoopcijfers van vergelijkbare woningen.
Tijdens de procedure heeft verweerder een aanvullend taxatierapport ingediend vlak voor de zitting, wat eiser benadeelde in zijn voorbereiding. De rechtbank besloot dit rapport buiten beschouwing te laten vanwege de late indiening en de belangenafweging. De rechtbank baseerde haar oordeel op het eerdere taxatierapport van 2 december 2021.
De rechtbank oordeelde dat de vergelijkingsobjecten in het taxatierapport goed bruikbaar zijn en dat de staat van onderhoud van de onroerende zaak niet zodanig matig is dat dit de waarde substantieel zou verlagen. De verkoopprijzen van vergelijkbare woningen ondersteunen de vastgestelde waarde van €190.000,-. Het beroep van eiser wordt daarom ongegrond verklaard.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van €190.000,- wordt bevestigd.