ECLI:NL:RBROT:2023:721
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde tussenwoning en bevestiging vastgestelde waarde
De zaak betreft de vaststelling van de WOZ-waarde van een tussenwoning uit 1976, gelegen op een perceel van 149 m², met een inhoud van 429 m³. Verweerder heeft de waarde voor het belastingjaar 2021 vastgesteld op €249.000, terwijl eiser een lagere waarde van €242.000 betwistte op basis van een taxatierapport.
De rechtbank heeft overwogen dat de waardepeildatum 1 januari 2020 is en dat de waarde moet worden bepaald op basis van de prijs die een meest biedende koper zou betalen. Verweerder onderbouwde de waarde met verkoopprijzen van vergelijkingsobjecten die qua bouwjaar, type en inhoud vergelijkbaar zijn, en concludeerde dat de vastgestelde waarde niet te hoog is.
Het taxatierapport van eiser werd minder zwaar gewogen omdat het gebruikmaakt van verkoopprijzen die zijn geïndexeerd naar een latere waardepeildatum en onvoldoende inzicht gaf in de waardebepaling. Ook was een van de vergelijkingsobjecten te laat verkocht om relevant te zijn.
De rechtbank concludeerde dat verweerder slaagt in zijn bewijslast en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter A.J. van Spengen op 24 januari 2023.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €249.000 wordt ongegrond verklaard.