De rechtbank Rotterdam behandelde op 4 augustus 2023 het verzoek van een besloten vennootschap die een onderhands akkoord aan vier schuldeisers had aangeboden in het kader van een openbare akkoordprocedure buiten faillissement. De onderneming leed verliezen door de coronapandemie en een gefailleerde overname, maar vertoonde herstel in 2022. Het akkoord bood aan de schuldeisers een betaling van 10% van hun vorderingen tegen finale kwijting.
Drie schuldeisers stemden vóór het akkoord, één tegen. De rechtbank stelde vast dat de procedure correct was gevolgd, de rechtbank bevoegd was en de verzoekster ontvankelijk was. Er waren geen afwijzingsgronden aanwezig en de stemgerechtigde schuldeisers hadden voldoende kennis van de procedure.
De rechtbank concludeerde dat de verzoekster zich in de toestand als bedoeld in de Faillissementswet bevond en dat het akkoord aan de wettelijke vereisten voldeed. Daarom werd het verzoek tot homologatie van het akkoord toegewezen en het akkoord gehomologeerd.