Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1..De procedure
- verzoekster;
- mevrouw A. Nieboer, werkzaam bij Zuidweg&Partners (hierna: schuldhulpverlening);
- mevrouw J. Boutisma, namens [verweerster], gevestigd te Schiedam (hierna: verweerster).
Rechtbank Rotterdam
Verzoekster heeft op grond van artikel 287b, eerste lid, Faillissementswet een voorlopige voorziening gevraagd om de ontruiming van haar huurwoning te voorkomen. De ontruiming was bevolen bij vonnis van 16 december 2022 vanwege een aanzienlijke huurachterstand. Verzoekster is inmiddels in loondienst en kan de lopende huurtermijnen betalen.
De rechtbank beoordeelt eerst of sprake is van een bedreigende situatie en concludeert dat dit het geval is, aangezien de ontruiming op korte termijn zou plaatsvinden. Vervolgens weegt de rechtbank het belang van verzoekster om in de woning te blijven en het schuldhulpverleningstraject voort te zetten, tegen het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren.
Gezien de betaling van de lopende termijnen en het inkomen van verzoekster, weegt het belang van verzoekster zwaarder. De rechtbank kent daarom een voorlopige voorziening toe die de ontruiming opschort voor zes maanden, onder de voorwaarde dat de huur tijdig wordt betaald. Tevens verklaart de rechtbank verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe die de ontruiming opschort voor zes maanden onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan.