De rechtbank Rotterdam heeft op 27 juli 2023 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte geboren in 1999. De verdachte werd verdacht van verkrachting en feitelijke aanranding van de eerbaarheid jegens de zoon van de vriendin van zijn vader, die een verstandelijke beperking heeft. De rechtbank sprak de verdachte vrij van verkrachting wegens onvoldoende bewijs, maar verklaarde de feitelijke aanranding wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring betrof meerdere incidenten tussen mei 2017 en september 2020 waarbij de verdachte het slachtoffer onverhoeds betastte, ongevraagd seksuele beelden stuurde en zichzelf masturbeerde in diens nabijheid. De verdachte bekende deze handelingen, en de verklaringen van het slachtoffer werden als betrouwbaar beoordeeld ondanks enkele inconsistenties. De rechtbank oordeelde dat sprake was van dwang door feitelijkheid, mede gezien de kwetsbaarheid van het slachtoffer.
De verdachte werd verminderd toerekeningsvatbaar geacht vanwege een verstandelijke beperking en psychische problematiek. Op grond van artikel 77c Sr werd het jeugdstrafrecht toegepast, hoewel de feiten deels na zijn 18e levensjaar plaatsvonden. De rechtbank constateerde een overschrijding van de redelijke termijn van ruim een maand, niet toe te rekenen aan de verdachte. Gezien de ernst van het feit maar ook de positieve ontwikkelingen in de situatie van de verdachte, waaronder begeleiding en behandeling, legde de rechtbank geen straf of maatregel op en paste artikel 9a Sr toe.
De rechtbank verklaarde zich onbevoegd voor het deel van de feiten gepleegd toen de verdachte minderjarig was (periode tot 14 januari 2017). Voor de feiten daarna was zij wel bevoegd. De verdachte werd vrijgesproken van alle feiten die niet bewezen konden worden verklaard. De uitspraak benadrukt de balans tussen strafrechtelijke aansprakelijkheid en persoonlijke omstandigheden, met bijzondere aandacht voor de toepassing van het jeugdstrafrecht en bescherming van de rechten van het slachtoffer.