ECLI:NL:RBROT:2023:7328
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toepassing schuldsaneringsregeling op grond van hardheidsclausule ondanks twijfel over goede trouw
Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). De rechtbank heeft het verzoekschrift beoordeeld en vastgesteld dat verzoeker is opgehouden met betalen en niet in staat is zijn schulden voort te zetten. Ondanks dat de schulden deels zijn ontstaan door risicovolle beleggingen en onjuiste informatie aan de Belastingdienst, waardoor twijfel bestaat over de goede trouw, heeft verzoeker een saneringsgezinde houding en een stabiele financiële situatie.
De rechtbank constateert dat verzoeker sinds 19 februari 2019 onder beschermingsbewind staat en geen nieuwe schulden maakt. Verzoeker heeft bovendien een ontheffing van sollicitatieplicht tot januari 2025. Gezien deze omstandigheden is het vertrouwen ontstaan dat verzoeker de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling zal nakomen. De rechtbank is bevoegd om deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen omdat het centrum van voornaamste belangen in Nederland ligt.
Op basis van artikel 288 lid 3 Faillissementswet Pro kan de schuldsaneringsregeling worden toegewezen ondanks het ontbreken van goede trouw indien aannemelijk is dat verzoeker de omstandigheden die tot de schulden hebben geleid onder controle heeft gekregen. De rechtbank wijst het verzoek toe, benoemt een rechter-commissaris, kent een voorschot toe op de vergoeding van de bewindvoerder en bepaalt dat het beschermingsbewind niet eenzijdig kan worden opgezegd tijdens de regeling.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling toe ondanks twijfel over de goede trouw.