Op 26 februari 2023 stichtte de verdachte in Rotterdam opzettelijk brand door een stuk stof met een aansteker in brand te steken, waardoor een binnendeur gedeeltelijk verbrandde en er gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor zijn huisgenoot en andere bewoners ontstond.
De verdachte bekende het feit en er was voldoende bewijs, waaronder verklaringen van de brandweer, dat er sprake was van levensgevaar en rookontwikkeling in een portiekflat met één uitgang. De rechtbank kwalificeerde het feit als opzettelijk brandstichten met gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar.
Zowel de verdediging als de officier van justitie stelden dat de verdachte ten tijde van het feit volledig ontoerekeningsvatbaar was vanwege een psychose en middelengebruik, zoals bevestigd in een Pro Justitia-rapport. De rechtbank volgde dit advies en ontsloeg de verdachte van alle rechtsvervolging.
De verdachte was reeds opgenomen op de psychiatrische afdeling van het Erasmus MC met een zorgmachtiging, waardoor geen strafrechtelijke maatregel werd opgelegd. De vorderingen van de benadeelde partijen werden niet-ontvankelijk verklaard omdat de schade niet rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen feit en de vorderingen onvoldoende onderbouwd waren.