ECLI:NL:RBROT:2023:7423

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 augustus 2023
Publicatiedatum
22 augustus 2023
Zaaknummer
9906889
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:208 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens niet-toerekenbaar gebrek aan vloerverwarming in huurwoning

De huurder vorderde terugbetaling van verwarmingskosten die zij onterecht betaalde vanwege een defecte servokop in de vloerverwarming, die warmteverbruik registreerde terwijl de verwarming niet aanstond. De verhuurder had de servokop na constatering van het defect vervangen. De kantonrechter gaf een bewijsopdracht aan de huurder om aan te tonen dat de verhuurder tekort was geschoten in haar onderhoudsverplichtingen.

De huurder slaagde er niet in om voldoende bewijs te leveren dat de verhuurder haar onderhoudsplicht had geschonden. De aangeleverde stukken gingen niet specifiek over de servokop of het onderhoud daarvan, en algemene verklaringen over cv-installaties boden onvoldoende aanknopingspunten.

De kantonrechter oordeelde dat het gebrek niet aan de verhuurder kon worden toegerekend op grond van schuld, wet of rechtshandeling. De verhuurder was niet aansprakelijk voor de schade en de vordering werd afgewezen. Gezien de omstandigheden werd de proceskostenveroordeling gecompenseerd, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De vordering van de huurder wordt afgewezen omdat het gebrek aan de vloerverwarming niet aan de verhuurder kan worden toegerekend.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 9906889 CV EXPL 22-16596
datum uitspraak: 18 augustus 2023
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres],
wonende in [woonplaats],
eiseres,
die zelf procedeert,
tegen
Stichting Woonstad Rotterdam,
gevestigd in Rotterdam,
gedaagde,
gemachtigde: mr. E. de Ruiter, advocaat in Rotterdam.
De partijen worden hierna ‘[eiseres]’ en ‘Woonstad’ genoemd.

1..De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • het tussenvonnis van 31 maart 2023 en de processtukken die daarin genoemd zijn;
  • het uitstelverzoek van [eiseres] op de rolzitting van 26 april 2023;
  • de mondelinge en schriftelijke reactie van [eiseres] op de rolzitting van 24 mei 2023, met bijlagen;
  • de e-mail van [eiseres] van 25 mei 2023, met een bijlage;
  • de antwoordakte van Woonstad.

2..De verdere beoordeling

Wat is de situatie?
2.1.
[eiseres] huurt van Woonstad een woning met vloerverwarming. In augustus 2020 heeft een monteur geconstateerd dat een servokop van deze vloerverwarming kapot was. Die servokop is toen in opdracht van Woonstad vervangen. De servokop is een motor die een klep openzet als de vloerverwarming door middel van de thermostaat wordt aangezet (zodat warm water de verwarmingsbuizen in stroomt, die onder de vloer zitten) en de klep weer dichtzet als de vloerverwarming wordt uitgezet met behulp van de thermostaat. Doordat deze kop defect was, sloot de klep niet goed en kan warmteverbruik zijn geregistreerd, terwijl [eiseres] de vloerverwarming niet heeft aangezet.
Waar gaat de zaak om?
2.2.
Woonstad heeft in de servicekostenafrekeningen van 2019 en 2020 respectievelijk € 94,53 en € 237,50 in rekening gebracht bij [eiseres], voor het gebruik van de verwarming in die jaren. [eiseres] stelt dat zij deze kosten ten onrechte heeft betaald, omdat zij de verwarming niet gebruikt heeft in die jaren en er volgens haar alleen maar verbruik is geregistreerd door de kapotte servokop. [eiseres] vordert daarom, na de eisvermeerdering, dat Woonstad wordt veroordeeld om € 332,03 aan haar (terug) te betalen. De kantonrechter heeft in het tussenvonnis geoordeeld dat van belang is of Woonstad tekort is geschoten in haar onderhoudsverplichtingen aan de servokop. Hij heeft geoordeeld dat niet vaststaat of daarvan sprake is. [eiseres] is daarom toegelaten tot het leveren van bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat Woonstad niet aan haar onderhoudsverplichting met betrekking tot de cv-installatie, meer in het bijzonder de servokop, heeft voldaan.
De bewijsopdracht is niet geslaagd
2.3.
[eiseres] heeft bewijsstukken in het geding gebracht. De kantonrechter oordeelt dat [eiseres] hiermee niet is geslaagd in haar bewijsopdracht. De bewijsopdracht ziet namelijk in het bijzonder op de onderhoudsverplichting met betrekking tot de servokop. Geen van de bewijsstukken gaat hier specifiek over.
2.4.
Enkele stukken gaan wel over gewenst of gebruikelijk onderhoud aan de cv-installatie. Het gaat om twee verklaringen van installatiebedrijven, een rapport van De Nederlandse Verwarmingsindustrie en verklaringen van drie verhuurders. Deze vormen echter onvoldoende bewijs. De twee installatiebedrijven verklaren: “
Wij adviseren lx per 2 jaar de installatie na te kijken op juiste werking” en “
Wij adviseren de mensen om ieder 4 tot 5 jaar om de vloerverwarming te laten controleren op werking en het eventueel spoelen van de leidingen. Dit voor een goede doorstroming van het VW systeem.” Dit betreffen zeer algemene verklaringen, die niet specifiek ingaan op de servokop. Bovendien gaan de verklaringen slechts over het nakijken en controleren van de installatie. Dat betreft een momentopname. Uit niets volgt dat Woonstad bij een dergelijke controle had kunnen constateren dat de servokop aan vervanging of onderhoud toe was. Ook in het rapport van De Nederlandse Verwarmingsindustrie wordt niet ingegaan op de servokop. Hetzelfde geldt voor de e-mailberichten van de verschillende verhuurders, die alleen verklaren hoe vaak er onderhoud plaatsvindt aan de cv-installatie in zijn algemeenheid. Over specifiek de servokop of het onderhoud daarvan zeggen die e-mailberichten niets.
2.5.
Verder heeft [eiseres] (zonder toelichting) stukken in het geding gebracht waaruit volgt dat leveranciers één tot vijf jaar garantie geven op servokoppen. Dat kan niet worden gezien als bewijs voor de stelling van [eiseres]. Dat de garantieperiode zo lang duurt betekent niet automatisch dat de servokop daarna moet worden vervangen of onderhouden.
2.6.
De overige bewijsstukken die [eiseres] heeft aangeleverd houden geen verband met de bewijsopdracht. Het gaat bijvoorbeeld om stukken met uitleg over de technische werking van de servokop, stukken waaruit volgt dat het onderhoud en de kosten daarvan voor rekening van Woonstad komen en stukken waaruit volgt hoe de servokoppen kunnen worden gecontroleerd. Uit al die stukken volgt niet dat er een concrete onderhoudsverplichting ter zake van de servokoppen op Woonstad rust, die door haar geschonden is.
2.7.
Het had op de weg van [eiseres] gelegen om, gezien de bewijsopdracht, bijvoorbeeld bewijs te leveren van de levensduur van een servokop, de manier waarop deze onderhouden moet worden, de gewenste onderhoudsinterval en veelvoorkomende gebreken en het tegengaan daarvan. Daar gaan de bewijsstukken allemaal niet over.
2.8.
Op grond van het voorgaande concludeert de kantonrechter dat [eiseres] niet is geslaagd in het opgedragen bewijs.
Geen toerekening door schuld van Woonstad
2.9.
Omdat de bewijsopdracht niet is geslaagd kan niet worden gezegd dat de kapotte servokop te wijten is aan de schuld van Woonstad, aangezien niet vaststaat dat zij haar onderhoudsverplichtingen heeft geschonden.
Geen toerekening op basis van wet of rechtshandeling
2.10.
De kapotte kop komt ook niet op grond van de wet of een rechtshandeling voor rekening van Woonstad. [eiseres] heeft in haar akte na de mondelinge behandeling wel gewezen op wetsartikelen en op bepalingen uit de Onderhoudswijzer, waaruit volgt dat Woonstad verantwoordelijk is voor het onderhoud van de servokop. Daar gaat de discussie echter niet over. Niet in discussie is immers dat Woonstad de servokop moet onderhouden. Zij heeft toen zij wist dat de servokop kapot was, onmiddellijk opdracht gegeven deze te vervangen. Dat Woonstad verantwoordelijk is voor het onderhoud wil niet zeggen dat zij automatisch aansprakelijk is voor de schade die ontstaat aan of door de servokop. In dit verband verwijst de kantonrechter ook naar hetgeen het Hof Den Haag heeft overwogen in de door Woonstad overgelegde niet gepubliceerde uitspraak van 25 juli 2017, waarin het hof heeft beslist dat het enkel intreden van een gebrek niet voldoende is om aansprakelijk te zijn op grond van artikel 7:208 BW Pro. Het hof heeft in dat arrest het vonnis van de Kantonrechter Den Haag van 12 november 2015, waarnaar [eiseres] heeft verwezen, vernietigd. De kantonrechter had in die zaak geoordeeld dat de verhuurder aansprakelijk is voor de gevolgschade van een lekkage door een gescheurde waterleiding bij de bovenburen. Andere rechtsgronden op grond waarvan geconcludeerd moet worden dat het gebrek aan de servokop aan Woonstad toegerekend moet worden zijn door [eiseres] niet gesteld en zijn ook de kantonrechter ambtshalve niet gebleken. Evenmin kan worden gezegd dat de kapotte servokop op basis van in het maatschappelijk verkeer geldende opvattingen aan Woonstad toegerekend moet worden.
Conclusie: de eisen van [eiseres] worden afgewezen
2.11.
Omdat het gebrek in de woning niet aan Woonstad is toe te rekenen is Woonstad niet aansprakelijk voor de schade die hierdoor is veroorzaakt (artikel 7:208 BW Pro). Dat betekent dat de vordering van [eiseres] moet worden afgewezen.
Wie moet de proceskosten betalen?
2.12.
Hoewel [eiseres] in het ongelijk wordt gesteld, ziet de kantonrechter onvoldoende aanleiding haar in de kosten van het geding te veroordelen. Daarbij is van belang dat [eiseres]
met de verwarmingskosten is geconfronteerd terwijl zij de kapotte servokop niet eerder had kunnen ontdekken. Zij heeft namelijk geen toegang tot de servokop in de meterkast en zij heeft ook niet de benodigde technische kennis om het defect aan de servokop te onderkennen. Onder die omstandigheden bestaat er aanleiding om de kosten van het geding te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3..De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de vordering van [eiseres] af;
3.2.
compenseert de kosten van het geding in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en in het openbaar uitgesproken.
33394