ECLI:NL:RBROT:2023:7558

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 mei 2023
Publicatiedatum
24 augustus 2023
Zaaknummer
C/10/657279 / JE RK 23-1042
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing minderjarige wegens ernstige opvoedkundige zorgen

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van een minderjarige voor respectievelijk twaalf en drie maanden wegens ernstig grensoverschrijdend gedrag en gebrek aan toezicht door de ouders. De minderjarige vertoont opstandig en seksueel grensoverschrijdend gedrag, waardoor zij zichzelf in gevaar brengt. Hulpverleningstrajecten zoals MST zijn voortijdig gestopt en de minderjarige verblijft momenteel in crisisopvang.

De ouders oefenen het gezag uit maar bieden onvoldoende toezicht en nabijheid. De vader en zijn partner kunnen door werkdruk en beschadigde relatie met de minderjarige geen adequate zorg bieden. De moeder is ambivalent over de toekomstige woonplek. De situatie wordt als zeer zorgelijk beoordeeld door de gecertificeerde instelling.

De kinderrechter acht de wettelijke criteria voor ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing vervuld. De minderjarige wordt voor twaalf maanden onder toezicht gesteld en voor drie maanden uit huis geplaatst in een jeugdhulpaccommodatie. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en mondeling uitgesproken op 26 mei 2023.

Uitkomst: De minderjarige wordt onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst voor haar veiligheid en welzijn.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaakgegevens : C/10/657279 / JE RK 23-1042
datum uitspraak: 26 mei 2023

beschikking ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,

hierna te noemen de Raad, gevestigd te Rotterdam,
betreffende

[kind01],

geboren op [geboortedatum01] 2009 te [geboorteplaats01], hierna te noemen [kind01].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam01],

hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats01],

[naam02],

hierna te noemen de vader, wonende te [woonplaats02].

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 4 mei 2023, ingekomen bij de griffie op 4 mei 2023.
Op 26 mei 2023 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.
Verschenen zijn:
- [kind01], die voorafgaand aan de zitting apart is gehoord,
- de moeder,
- de vader,
- [naam03] namens de Raad, via een videoverbinding,
- [naam04] namens de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west, hierna te noemen de GI.

De feitenHet ouderlijk gezag over [kind01] wordt uitgeoefend door de ouders.

[kind01] verblijft in een crisisopvang.

Het verzoek

De Raad heeft de ondertoezichtstelling van [kind01] verzocht voor de duur van twaalf maanden. De Raad heeft tevens de uithuisplaatsing van [kind01] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verzocht voor de duur van drie maanden.

De standpunten

De Raad handhaaft ter zitting het verzoek en licht het als volgt toe. [kind01] is al een tijd in beeld bij de hulpverlening. Zij vertoont opstandig en (seksueel)grensoverschrijdend gedrag, waardoor zij zichzelf in gevaar brengt. Er is ASH en MST ingezet. Het MST-traject is echter voortijdig gestopt. [kind01] verblijft op dit moment bij de Opper, naar aanleiding van een escalatie bij de vader thuis. [kind01] is aangemeld bij Fier voor gedrags- en traumatherapie. Wanneer [kind01] na haar opname weer bij één van haar ouders zal gaan wonen, is het van belang dat er intensieve systeemhulp komt en intensieve ambulante behandeling voor [kind01]. De vader heeft bij de Raad aangegeven het niet te zien zitten dat [kind01] na haar opname weer bij hem en zijn partner komt wonen. De moeder is ambivalent voor wat betreft de toekomstige woonplek van [kind01]. Hierdoor is nog veel onduidelijkheid over waar [kind01] na de Opper komt te wonen. Het heeft prioriteit dat er op korte termijn duidelijkheid komt over de toekomstige woonplek van [kind01].
De GI sluit zich aan bij het verzoek van de Raad. De GI heeft het rapport van de Raad gelezen en vindt de situatie zeer zorgelijk.
De vader verzet zich niet tegen het verzoek. Hij is van mening dat [kind01] hulp nodig heeft. Het is voor de vader onduidelijk welk traject [kind01] nu gaat volgen. De vader hoopt dat [kind01] snel ergens terecht kan waar zij de hulp kan krijgen die zij nodig heeft, waarna zij terug kan naar huis. [kind01] verbleef eerder bij de vader en zijn vriendin thuis, maar vanwege hun werk was er weinig toezicht op [kind01]. De vader en zijn vriendin kunnen [kind01] niet het toezicht bieden dat zij nodig heeft. Bovendien is de band tussen de vriendin van vader en [kind01] inmiddels beschadigd geraakt.
De moeder heeft hulp gezocht toen [kind01] nog in groep zes zat. Volgens de moeder gaan de dingen bij [kind01] niet zoals bij andere jongeren van haar leeftijd. [kind01] zocht al op jonge leeftijd veel aandacht bij jongens en raakte zij steeds vaker in conflict thuis. Ondanks toezicht en duidelijke regels bij de moeder thuis waren er toch problemen met [kind01]. Volgens de moeder besloot [kind01] om bij haar vader te gaan wonen. Bij de vader is het verder bergafwaarts gegaan, omdat er weinig toezicht was op [kind01]. De moeder hoopt dat [kind01] op termijn weer thuis kan wonen.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat er ernstige zorgen zijn over de sociaal-emotionele ontwikkeling en fysieke veiligheid van [kind01]. [kind01] groeit op in een opvoedsituatie waarbij al langere tijd weinig tot geen zicht door de ouders op haar is. Ouders lijken geen grip meer te hebben op haar. [kind01] mist de aandacht van haar ouders en zoekt deze op andere, grensoverschrijdende manieren op. Zij is zelfbepalend, wil niet meewerken aan hulpverlening en lijkt onbereikbaar te zijn geworden. [kind01] is veel buitenshuis, de vader en zijn partner weten dan niet waar zij is en met wie zij omgaat. Er zijn vermoedens van middelengebruik bij [kind01] en seksuele contacten. Het lukt [kind01] niet om zelfstandig uit deze situatie te stappen en te stoppen met de (seksuele) contacten die zij, vrijwillig of onder druk, heeft met verschillende personen.
Het lijkt erop dat [kind01] zich al langere tijd niet gezien en gehoord voelt door haar ouders en de partner van vader. [kind01] heeft geen motivatie meer om thuis te zijn en zich aan regels te houden. De ouders lijken hun prioriteit niet bij [kind01] te leggen. Vast staat dat zij op dit moment niet in staat zijn om [kind01] toezicht en nabijheid te bieden, haar te begrenzen en haar een stabiele en veilige thuisbasis te bieden. De hulpverlening die tot nu toe is ingezet heeft de situatie onvoldoende verbeterd. Duidelijk moet zijn waar [kind01] na haar verblijf bij de Opper gaat wonen en wat er nodig is voor [kind01] en voor de ouders.
Uit het voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter zal daarom [kind01] onder toezicht stellen voor de duur van twaalf maanden. Ook is de kinderrechter van oordeel dat de uithuisplaatsing van [kind01] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en de opvoeding, zoals genoemd in artikel 1:265b BW.

De beslissing

De kinderrechter:
stelt [kind01] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west met ingang van 26 mei 2023 tot 26 mei 2024;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [kind01] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 26 mei 2023 tot 26 augustus 2023;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2023 door mr. M.P. van der Stroom, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Borges Dias als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 21 juni 2023.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.