De zaak betreft een verzoek tot ondertoezichtstelling van een minderjarige, [kind01], geboren in 2014, waarbij de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering betrokken zijn.
De ondertoezichtstelling was eerder verlengd tot 25 juli 2023. De GI verzocht om verlenging, maar diende het verzoek niet tijdig in, waardoor dit verzoek werd afgewezen. De Raad diende een verzoek in dat wel tijdig was en onderbouwde dit met het oog op de ernstige bedreiging van de ontwikkeling van het kind door de aanhoudende conflicten tussen de ouders en het ontbreken van een duidelijke zorgregeling.
De moeder voerde verweer tegen het verzoek, stellende dat er geen ernstige bedreiging is en dat zij bereid is mee te werken binnen vrijwillige hulpverlening. De vader stemde in met het verzoek vanwege de gespannen communicatie en het belang van continuering van de ondertoezichtstelling.
De kinderrechter oordeelde dat de zorgen rondom het kind onverminderd aanwezig zijn, mede door de moeizame communicatie en het hoger beroep van de moeder tegen eerdere beslissingen. De kinderrechter stelde het kind onder toezicht van de gecertificeerde instelling voor zes maanden en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.