ECLI:NL:RBROT:2023:7796

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
31 augustus 2023
Publicatiedatum
31 augustus 2023
Zaaknummer
ROT 23-4555
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen afwijzing VOG-aanvraag wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoeker heeft op 10 januari 2023 een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) aangevraagd, welke op 1 maart 2023 door de minister is afgewezen. Na bezwaar is deze afwijzing op 23 juni 2023 gehandhaafd. Verzoeker stelde beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter beoordeelde of er sprake was van onverwijlde spoed die een voorlopige voorziening rechtvaardigde. Verzoeker stelde dat hij de VOG nodig had om als advocaat(stagiair/ondernemer) te kunnen solliciteren en dat de startdatum van de beroepsopleiding advocatuur (BA) op 1 maart 2023 spoedeisend was.

De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen spoedeisend belang bestond. Verzoeker ontvangt nog een Wajong-uitkering en stelde geen actuele financiële noodsituatie. Ook was de genoemde startdatum van de BA reeds verstreken en was geen nieuw tijdstip genoemd. Er waren geen concrete aanwijzingen dat verzoeker een arbeidscontract had misgelopen door het ontbreken van de VOG.

Daarom werd het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond verklaard en afgewezen. De uitspraak is gedaan zonder zitting en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de VOG-aanvraag is afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/4555

uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 augustus 2023 in de zaak tussen

[Naam], uit [Plaats], verzoeker

en

De Minister voor Rechtsbescherming.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG).
1.1.
Verzoeker heeft op 10 januari 2023 een VOG aangevraagd. Met het (primaire) besluit van 1 maart 2023 heeft de minister de aanvraag afgewezen. Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 23 juni 2023 heeft de minister het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard en de afwijzing van de VOG-aanvraag gehandhaafd. Verzoeker heeft tegen dit besluit het beroep met zaaknummer ROT 23/4554 ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
3. De voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van (in dit geval) de beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Daarom speelt bij de beoordeling van een verzoek om een voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol. Van voldoende spoedeisendheid is sprake, wanneer een besluit onomkeerbare gevolgen heeft en een behandeling van de bodemzaak niet kan worden afgewacht. Een financieel belang vormt op zichzelf geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Dat kan wel het geval zijn indien een actuele financiële noodsituatie bestaat of op korte termijn dreigt te ontstaan.
4. Verzoeker voert aan dat hij een spoedeisend belang heeft bij de verstrekking van een VOG en hiervoor niet de uitspraak op zijn beroep kan afwachten. Hij is op 4 augustus 2021 afgestudeerd en heeft een VOG nodig om succesvol als advocaat(stagiair/ondernemer) te kunnen solliciteren. Volgens verzoeker liggen er meerdere vacatures bij advocatenkantoren voor hem in het verschiet. De eerstvolgende beroepsopleiding advocatuur (BA) start volgens verzoeker op 1 maart 2023.
5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek. Uit de door verzoeker overgelegde stukken blijkt dat verzoeker nog steeds een Wajong-uitkering ontvangt. De uitkering bedroeg laatstelijk € 1.127,- netto per maand (volgens de betaalspecificatie van juli 2023). Een financiële noodsituatie is gesteld noch gebleken. Dat verzoeker meer inkomen zou willen verwerven als advocaat of juridisch dienstverlener is alleszins begrijpelijk, maar levert geen spoedeisend belang op als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb. Verzoeker heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hem een inmiddels een arbeidscontract is aangeboden en dat hij daarvan, vanwege het ontbreken van een VOG, geen gebruik zou kunnen maken. De door verzoeker genoemde startdatum van de BA (1 maart 2023) levert evenmin spoedeisend belang op, aangezien deze datum inmiddels is verstreken. Verzoeker heeft geen nieuwe, meer recente, datum genoemd. De voorzieningenrechter ziet daarom niet in dat verzoeker de behandeling van de bodemzaak niet kan afwachten.

Conclusie en gevolgen

6. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V. van Dorst, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2023.
De voorzieningenrechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.