ECLI:NL:RBROT:2023:7989
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toekenning immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn parkeerbelasting
Verzoekster diende een verzoek in op grond van artikel 8:88 en Pro 8:90 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in een bezwaar- en beroepsprocedure tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting. De rechtbank stelde vast dat de bezwaarfase niet langer dan zes maanden duurde, waardoor de volledige termijnoverschrijding van ruim vijf maanden in de beroepsfase valt.
De rechtbank oordeelde dat de redelijke termijn van twee jaar voor de beroepsprocedure werd overschreden en dat de Staat der Nederlanden aansprakelijk is voor de schadevergoeding. Gezien de geringe financiële belangen en de aard van de procedure, kende de rechtbank een forfaitaire immateriële schadevergoeding van €50 toe, lager dan het gebruikelijke bedrag van €500 per zes maanden.
Het verzoek om schadevergoeding in de verzoekschriftprocedure zelf werd afgewezen omdat de termijn van twee jaar nog niet was overschreden. Daarnaast werd de Staat veroordeeld tot vergoeding van het door verzoekster betaalde griffierecht en de proceskosten van €418,50. De rechtbank verwierp het verweer dat het verweerschrift niet in behandeling genomen mocht worden en bevestigde haar bevoegdheid en ontvankelijkheid van het verzoek.
Uitkomst: De rechtbank kent een immateriële schadevergoeding van €50 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn en veroordeelt de Staat tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.