AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing vordering tot toekenning gezag aan Iraans verstekvonnis wegens onvoldoende onderbouwing
Partijen, een Iraans echtpaar, zijn in Iran getrouwd waarna de vrouw naar Nederland kwam. De man diende een verzoek tot echtscheiding in bij de rechtbank Rotterdam. De vrouw vordert op grond van artikel 431 lid 2 RvPro dat de Nederlandse rechter het Iraanse verstekvonnis inzake de bruidsgave gezag toekent (quasi-exequatur).
De rechtbank stelt vast dat er geen verdrag is tussen Nederland en Iran voor wederzijdse erkenning van vonnissen, waardoor alleen via artikel 431 lid 2 RvPro gezag kan worden toegekend zonder inhoudelijke toetsing. De vrouw betoogt dat de man op de hoogte was van de Iraanse procedure, maar dit wordt door de man betwist, mede omdat het vonnis een onjuist adres vermeldt.
De rechtbank oordeelt dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat de man rechtsgeldig en tijdig is betekend, waardoor zij niet aan haar stelplicht voldoet. Daarom wordt de vordering afgewezen. De kosten worden ieder voor eigen rekening gelaten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot toekenning van gezag aan het Iraanse verstekvonnis af wegens onvoldoende onderbouwing van rechtsgeldige betekening.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
Zittingsplaats Dordrecht
zaaknummer / rolnummer: C/10/646321 / HA ZA 22-832
Vonnis van 6 september 2023
in de zaak van
[eiseres01],
met gekozen domicilie ten kantore van haar advocaat,
eiseres,
advocaat mr. A. Hashem Jawaheri te Amsterdam,
tegen
[gedaagde01],
wonende te Dordrecht,
gedaagde,
advocaat mr. A. Apistola te Zwijndrecht.
Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.
1..De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 7 oktober 2022 met producties 1 t/m 7;
de conclusie van antwoord;
de brief van de rechtbank van 12 december 2022 waarbij partijen zijn opgeroepen voor een zitting in deze zaak;
de brief van de rechtbank van 14 februari 2023, waarbij de rechtbank te kennen heeft gegeven dat de zitting in deze zaak mede betrekking zal hebben op de tussen partijen lopende procedures met de rolnummers HA ZA 22-810 en HA ZA 220-816;
de brief van mr. Apistola van 27 februari 2023, met vier producties;
de mondelinge behandeling op 9 maart 2023, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
de brief van de rechtbank van 10 maart 2023;
de akte van de vrouw van 24 mei 2023, met één productie;
de antwoordakte van de man van 5 juli 2023.
1.2.
Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.
2..De feiten
2.1.
Partijen zijn op [datum01] in Iran getrouwd. De man woonde toen al in Nederland. De vrouw woonde nog in Iran. In 2018 is de vrouw naar Nederland gekomen.
2.2.
Ten tijde van de huwelijkssluiting hadden beiden de Iraanse nationaliteit en had de man tevens de Nederlandse nationaliteit. Dit is ook thans nog het geval.
2.3.
Partijen hebben na de komst naar Nederland van de vrouw enkele maanden samengewoond. Vervolgens is de samenwoning door de vrouw verbroken.
2.4.
Op 23 mei 2019 heeft de man een verzoek tot echtscheiding ingediend bij deze rechtbank. De vrouw heeft op 10 juni 2019 verweer gevoerd en bij wijze van zelfstandig verzoek de rechtbank verzocht de echtscheiding uit te spreken, alsmede de man te veroordelen tot betaling van € 146.490,- ter zake van de bruidsgave en tot afgifte van de helft van zijn vermogensbestanddelen aan de vrouw. Nadien hebben partijen deze verzoeken ingetrokken en is de procedure geëindigd.
2.5.
Op 16 juni 2019 heeft de familierechtbank van het arrondissement Ahwaz in Iran de man op verzoek van de vrouw veroordeeld tot betaling van een bruidsgave van 514 volledige Bahar Azadi munten. In het vonnis (hierna: het Iraanse vonnis) staat vermeld dat het bij verstek is gewezen.
2.6.
Op 21 juli 2020 heeft de vrouw de man gedagvaard in een procedure bij deze rechtbank waarin zij vordert dat de man wordt veroordeeld tot overdracht van 514 Bahar-e-Azadi gouden munten of een equivalent daarvan gelijk aan € 433.995,90. Die procedure is, met een arrest van het Gerechtshof Den Haag in een bevoegdheidsincident, terugverwezen naar deze rechtbank en voortgezet onder rolnummer HA ZA 22-810.
2.7.
Op 4 oktober 2022 heeft de vrouw de man gedagvaard in een procedure bij deze rechtbank waarin zij vordert dat de man wordt veroordeeld tot medewerking aan een Iraanse religieuze echtscheiding (rolnummer HA ZA 22-816) en op 7 oktober 2022 heeft de vrouw de man gedagvaard in de onderhavige procedure.
2.8.
De mondelinge behandeling in de onderhavige procedure is vervolgens gevoegd met de mondelinge behandeling van de procedures met de rolnummers HA ZA 22-810 en HA ZA 22-816.
2.9.
In de procedures met rolnummers HA ZA 220-810 en HA ZA 22-816 zal vonnis worden gewezen op de datum van dit vonnis.
2.10.
Op 31 mei 2022 heeft de vrouw een (nieuw) verzoek tot echtscheiding ingediend bij deze rechtbank.
3..Het geschil
3.1.
De vrouw vordert in deze procedure dat de rechtbank bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de man veroordeelt op de voet van artikel 431 RvPro tot hetgeen in de rechterlijke beslissing van de Familierechtbank van het arrondissement Ahwaz te Iran d.d. 16 juni 2019 is bepaald;
II. bepaalt dat de man het equivalent in euro’s verschuldigd is aan de vrouw van
hetgeen waartoe de man onder I. is veroordeeld, te weten het equivalent van 514
volledige Bahar Azadi munten ofwel een bedrag van EUR 433.995,90, indien de man niet binnen veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis uit eigen beweging overgaat tot betaling van hetgeen waartoe hij onder I. veroordeeld is;
met veroordeling van de man in de kosten van dit geding.
3.2.
De man voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw in haar vorderingen, althans afwijzing van die vorderingen, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten, alles bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
4..De beoordeling
4.1.
De man heeft aangevoerd dat niet vaststaat dat de advocaat van de vrouw gemachtigd is om namens de vrouw op te treden. De advocaat van de vrouw heeft ter zitting echter verklaard dat hij gemachtigd is om namens de vrouw op te treden. De rechtbank gaat uit van de juistheid van deze verklaring en gaat daarom voorbij aan dit verweer van de man.
4.2.
Tussen Nederland en Iran geldt geen verdrag waarin de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen is geregeld. Het Iraanse vonnis kan dus niet via de exequaturprocedure van artikel 431 lid 1 inPro combinatie met artikel 985 enPro volgende Rv worden erkend en ten uitvoer worden gelegd. Wel is het mogelijk dat de Nederlandse rechter op grond van het tweede lid van artikel 431 RvPro - zonder inhoudelijke toetsing - aan het Iraanse vonnis gezag toekent, in die zin dat de man wordt veroordeeld tot hetgeen waartoe hij in het Iraanse vonnis is veroordeeld. Dit wordt wel een quasi-exequatur genoemd. De vordering van de vrouw in deze procedure is daarop gericht.
4.3.
Deze procedure vertoont samenloop met de hiervóór onder 2.6 genoemde procedure met rolnummer HA ZA 22-810, waarin de vrouw vordert dat de rechtbank, op basis van een inhoudelijke toetsing van haar vordering, de man veroordeelt tot overdracht van 514 Bahar Azadi gouden munten of een equivalent daarvan gelijk aan € 433.995,90. Ter zitting heeft de vrouw aangegeven dat de vordering in de onderhavige procedure als haar primaire vordering moet worden beschouwd, en de vordering in de procedure met rolnummer HA ZA 22-810 als subsidiaire vordering. Indien de vordering in de onderhavige procedure wordt toegewezen, zal de vrouw de vordering in de zaak met rolnummer HA ZA 22-810 intrekken. De rechtbank begrijpt hieruit dat de vrouw in elk geval een uitspraak verlangt in de onderhavige procedure, en slechts een uitspraak verlangt in de procedure met rolnummer HA ZA 22-810 indien de rechtbank in de onderhavige procedure in het nadeel van de vrouw beslist.
4.4.
De Nederlandse rechter is bevoegd van het geschil in de onderhavige procedure kennis te nemen. Artikel 431 lid 2 RvPro schept immers rechtsmacht voor de Nederlandse rechter. Dit is niet betwist door de man. Evenmin is de relatieve bevoegdheid van deze rechtbank betwist. De rechtbank acht zich dan ook bevoegd van de vorderingen van de vrouw kennis te nemen.
4.5.
Bij de beoordeling van de vraag of aan een beslissing van een buitenlandse rechter ingevolge artikel 431 lid 2 RvPro gezag kan worden toegekend, dient de rechter die beslissing te toetsen aan een aantal (formele) voorwaarden zoals opgesomd in het zogenaamde Gazprombankarrest (HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838), waaronder de voorwaarde dat de buitenlandse beslissing tot stand is gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging. Tot de eisen van een behoorlijke procesvoering behoort - in elk geval waar het een verstekvonnis betreft - een behoorlijke en tijdige oproeping. Dit volgt uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (vgl. EHRM 7 juli 2007, nr. 66941/01 (Zagorodnikov t. Rusland)).
4.6.
De vrouw heeft bij dagvaarding gesteld dat de man volledig op de hoogte was van de procedure in Iran en dat het Iraanse vonnis op tegenspraak is gewezen. Dit is door de man betwist. De man heeft erop gewezen dat uit het Iraanse vonnis zelf blijkt dat het bij verstek is gewezen. De man heeft voorts aangevoerd dat (voor hem) onduidelijk is hoe de procedure in Iran door de vrouw is gevoerd, dat hij niet over betekeningsstukken beschikt en dat in het Iraanse vonnis een onjuist adres als zijn woonplaats is vermeld (namelijk een adres in Iran terwijl hij in Nederland woonde en woont). Ter zitting heeft de vrouw verklaard dat het inderdaad een verstekvonnis betreft maar dat de man op de hoogte was van de procedure.
4.7.
Naar het oordeel van de rechtbank kan de vrouw niet volstaan met de enkele stelling dat de man op de hoogte was van de procedure. In het licht van de gemotiveerde betwisting door de man op dit punt (en met name het feit dat in het Iraanse vonnis kennelijk een onjuist adres als woonplaats van de man is vermeld) lag het op de weg van de vrouw om feiten te stellen waaruit blijkt dat de inleidende processtukken rechtsgeldig en tijdig aan de man zijn betekend, en wel zo dat hij voldoende in de gelegenheid is geweest om verweer te voeren. Dat heeft de vrouw niet gedaan. De vrouw heeft haar stellingen aldus onvoldoende onderbouwd. Daarmee heeft de vrouw niet aan haar stelplicht ingevolge artikel 150 RvPro voldaan en moet de vordering worden afgewezen.
4.8.
Gelet op de relatie tussen partijen (ex-echtgenoten) zal de rechtbank bepalen dat ieder de eigen proceskosten draagt.
5..De beslissing
De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen af;
5.2.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt
Dit vonnis is gewezen door mr. W.A.M. Schellekens. Het is getekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 6 september 2023.