Eiser, eigenaar van een woning te Schiedam, kreeg een bestuurlijke boete van € 2.000,- opgelegd wegens het in gebruik geven van woonruimte zonder huisvestingsvergunning. Dit was gebaseerd op een huisbezoek waarbij werd vastgesteld dat drie personen de woning bewoonden zonder vergunning. De boete werd opgelegd op grond van artikel 8, tweede lid, Huisvestingswet 2014 en artikel 3, tweede lid, van de Verordening grootstedelijke problematiek Schiedam 2019.
Eiser voerde aan dat de woning niet onder de toepasselijke huurprijsgrens viel en dat de boete daarom niet bevoegd was. De rechtbank toetste ambtshalve de bevoegdheid en concludeerde dat de woning niet viel onder de categorie waarvoor de verordening geldt, omdat de huurprijs van € 1.060 en de huurovereenkomst met € 1.500 per maand boven de huurprijsgrens van € 737,14 lag. Verweerder had dit niet gemotiveerd en geen onderzoek gedaan naar de huurprijsgrens.
Daarom was de boete niet rechtmatig opgelegd. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, herroept het primaire besluit en bepaalt dat eiser geen boete hoeft te betalen. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.