Uitspraak
[veroordeelde01] ,
Onderzoek ter terechtzitting
De ontvankelijkheid van het verzoek
na aanvang van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregelverzoeken om een tussentijdse beoordeling.
Rechtbank Rotterdam
De rechtbank Rotterdam behandelde op 19 september 2023 een verzoek van de veroordeelde tot een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van voortzetting van zijn ISD-maatregel. Deze maatregel was op 26 januari 2023 opgelegd voor de duur van twee jaar en onherroepelijk geworden op 9 februari 2023. De tenuitvoerlegging begon op 1 maart 2023.
De raadsman diende namens de veroordeelde op 21 juni 2023 een verzoek in voor tussentijdse toetsing. De officier van justitie concludeerde dat het verzoek te vroeg was ingediend en stelde niet-ontvankelijkheid voor. De raadsman voerde aan dat de zittingsdatum na zes maanden lag, maar de rechtbank oordeelde dat de datum van het verzoek leidend is en dat dit binnen zes maanden na aanvang van de maatregel was.
De rechtbank benadrukte dat de wettelijke termijn van zes maanden niet voor niets is gesteld. Het traject binnen de PI was nog in de opstartfase, met een vertrouwensband die nog moest worden opgebouwd en een perspectiefplan dat nog niet gereed was. Hierdoor was het verzoek prematuur. De rechtbank verklaarde de veroordeelde niet-ontvankelijk en merkte op dat, indien inhoudelijk beoordeeld, geen aanleiding was tot tussentijdse beëindiging van de maatregel vanwege het blijvende recidiverisico.
De beslissing werd genomen door de meervoudige kamer voor strafzaken, met drie rechters en een griffier aanwezig. De oudste rechter kon niet medeondertekenen.
Uitkomst: De veroordeelde is niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot tussentijdse beoordeling van de ISD-maatregel wegens te vroege indiening.