ECLI:NL:RBROT:2023:8629

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 september 2023
Publicatiedatum
18 september 2023
Zaaknummer
10-254963-22
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6:14 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek tussentijdse toetsing ISD-maatregel wegens te vroege indiening

De rechtbank Rotterdam behandelde op 19 september 2023 een verzoek van de veroordeelde tot een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van voortzetting van zijn ISD-maatregel. Deze maatregel was op 26 januari 2023 opgelegd voor de duur van twee jaar en onherroepelijk geworden op 9 februari 2023. De tenuitvoerlegging begon op 1 maart 2023.

De raadsman diende namens de veroordeelde op 21 juni 2023 een verzoek in voor tussentijdse toetsing. De officier van justitie concludeerde dat het verzoek te vroeg was ingediend en stelde niet-ontvankelijkheid voor. De raadsman voerde aan dat de zittingsdatum na zes maanden lag, maar de rechtbank oordeelde dat de datum van het verzoek leidend is en dat dit binnen zes maanden na aanvang van de maatregel was.

De rechtbank benadrukte dat de wettelijke termijn van zes maanden niet voor niets is gesteld. Het traject binnen de PI was nog in de opstartfase, met een vertrouwensband die nog moest worden opgebouwd en een perspectiefplan dat nog niet gereed was. Hierdoor was het verzoek prematuur. De rechtbank verklaarde de veroordeelde niet-ontvankelijk en merkte op dat, indien inhoudelijk beoordeeld, geen aanleiding was tot tussentijdse beëindiging van de maatregel vanwege het blijvende recidiverisico.

De beslissing werd genomen door de meervoudige kamer voor strafzaken, met drie rechters en een griffier aanwezig. De oudste rechter kon niet medeondertekenen.

Uitkomst: De veroordeelde is niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot tussentijdse beoordeling van de ISD-maatregel wegens te vroege indiening.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Team straf 3
Parketnummer: 10-254963-22
Datum uitspraak: 19 september 2023
Beslissing van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in artikel 6:6:14 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) in de zaak tegen de veroordeelde:

[veroordeelde01] ,

geboren te [geboorteplaats01] (Roemenië) op [geboortedatum01] 1989,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [naam PI01] , locatie [locatie01] ,
raadsman mr. T. Sönmez, advocaat te Rotterdam.

Onderzoek ter terechtzitting

Deze beslissing is gegeven naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 5 september 2023. De officier van justitie mr. N. Aandewiel, de veroordeelde en zijn raadsman mr. T. Sönmez zijn gehoord. Tevens is als deskundige gehoord [deskundige01] , als trajectbegeleider ISD verbonden aan de inrichting waar de veroordeelde verblijft.

De ontvankelijkheid van het verzoek

Ingevolge artikel 6:6:14, eerste lid, Sv kan een veroordeelde, indien de rechter bij het opleggen van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) niet beslist tot een tussentijdse beoordeling, zes maanden
na aanvang van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregelverzoeken om een tussentijdse beoordeling.
Bij vonnis van deze rechtbank van 26 januari 2023 is aan de veroordeelde opgelegd de ISD-maatregel voor de duur van twee jaren. Bij dit vonnis heeft de rechtbank niet beslist tot een tussentijdse beoordeling. Deze beslissing is op 9 februari 2023 onherroepelijk geworden. De tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel is aangevangen op 1 maart 2023.
De raadsman heeft op 21 juni 2023 namens de veroordeelde een verzoek ingediend tot een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel.
Ter zitting heeft de officier van justitie geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de veroordeelde, omdat het verzoekschrift te vroeg is ingediend.
De raadsman heeft aangevoerd dat het verzoekschrift weliswaar te vroeg is ingediend, maar dat hij de zittingsdatum heeft laten vaststellen op een datum die is gelegen meer dan zes maanden na het aanvangen van de tenuitvoerlegging van de maatregel.
De rechtbank constateert dat het voorliggende verzoek tot tussentijdse toetsing dateert van 21 juni 2023 en daarom is gedaan binnen zes maanden na de aanvang van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel op 1 maart 2023.
Daarmee is het verzoek te vroeg ingediend. De rechtbank merkt op dat deze wettelijke termijn niet voor niets is gesteld. Zoals blijkt uit het rapport van de PI en de toelichting van de deskundige ter zitting, zit het traject nog in de opstartfase. Het heeft tijd gekost om een vertrouwensband met de veroordeelde op te bouwen en zijn problematiek helder te krijgen. Zijn perspectiefplan is nog niet gereed. Kortom: het verzoek is prematuur ingediend.
De rechtbank zal de veroordeelde niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat zij, indien zij het verzoek inhoudelijk zou beoordelen, thans geen aanleiding ziet tot tussentijdse beëindiging van de ISD-maatregel. Het recidiverisico is blijkens het toetsingsverslag van de PI en de toelichting daarop door de deskundige, niet afgenomen. Voortzetting van de maatregel is dan ook noodzakelijk ter beveiliging van de maatschappij en beëindiging van recidive van de veroordeelde.

Beslissing

De rechtbank:
verklaart de veroordeelde niet-ontvankelijk in zijn verzoek.
Deze beslissing is gegeven door:
mr. J.L. Luiten, voorzitter,
en mrs. A.S. Flikweert en P.E. van Althuis, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.J. Voogel-van Buuren, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 19 september 2023.
De oudste rechter is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.